Op Tijd Naar Huis

"Because of the way our socio-economic system rewards professional success, it’s all too easy to believe that outward success equals inner worth. But part of you is never fooled."
- Gerald M. Weinberg (Understanding the Professional Programmer)

"Vertel mij wat," zei Sjef, "mijn oudste dochter kreeg van iemand bij haar op school laatst een maf boek joh! Schijnen ze allemaal opeens te moeten lezen; Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt."
"Wat zeg je? Ga jij een boek schrijven?", vroeg Quint.
"Nee nee, zo heet dat boek: Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt."
"Wacht maar tot mijn boek uitkomt? Mmm, vreemde titel. Nee, mijn dochter leest alleen maar sterrenkunde-boeken. Verder kijkt ze alleen nog maar teevee. Of ze zit maar wat op haar kamer. Misschien geef ik haar wel een teevee op haar volgende verjaardag. Ik heb wel eens het idee dat ze niet zo graag met mij erbij naar eh... bepaalde programma’s kijkt ofzo"
"Pff, teevee. Sinds wij zo’n spelletjescomputer hebben aangeschaft is er geen houden meer aan. Wendelien en ik zijn er allang op uitgekeken. Spijt dat ik dat kreng ooit gekocht heb. Sinterklaas vieren we trouwens sowieso nooit meer..."
Waar hebben we het eigenlijk over? vroeg Quint zich af. Sjef heeft makkelijk lullen, die heeft twee dochters en een vrouw. En hij zal ook wel een goudvis hebben en elke zomer naar Spanje gaan, pfff. En dan zijn auto, zo overdreven groot voor een gezin van vier.
Quint had zijn vrouw twee jaar geleden verloren bij een auto-ongeluk. Hun dochter Imogeen was er enigszins verkreukeld, maar gezien de omstandigheden bijzonder goed vanaf gekomen. Quint had niet in de bewuste auto gezeten. Twee jaar geleden alweer.
Imogeen had het schijnbaar allemaal achter zich gelaten. Ze was een vrolijk en sterk meisje met zo nu en dan een rare bui, waarin ze tegen de kat begon te schelden en geen eten wou. Quint wist zich nooit zo goed raad met Iem. Als Iem kwaad op hem was, was het alsof hij onder een wals kwam. Imogeen had een veel te onschuldig en lief gezicht om echt streng tegen haar te kunnen zijn. Ze leek ook zo op haar overleden moeder. Ze had misschien meer aan een moeder gehad.
Als hij terug in de tijd zou kunnen gaan, zou hij met haar ruilen. Hij deed toch niets goed, als het met Imogeen te maken had.
"Dus zeg ik: man, breek me de bek niet open! Haha, vat je?", zei Sjef. Quint schrok op uit zijn dagdromerij en probeerde een lach te veinzen. Altijd als Sjef een zin eindigde met ‘vat je’, verwachtte hij dat je lachte. Sjef was zonder de geringste schaduw van enige twijfel de meest saaie en humorloze man op aarde. Toch moest er gelachen worden.
"Weet je wat ik doe?", zei Quint, "Ik ga maar eens naar huis. Het is vrijdagmiddag en m’n dochter heeft dan altijd vroeg vrij. Zit ze maar alleen thuis. I call it a day, de mazzel". Sjef keek naar Quint als zou hij een enge ziekte hebben en pruttelde nog een "Tot maandag". Quint pakte zijn jas en liep de bank uit.
Het was half vier en het weekend was wat hem betreft begonnen.
Quint ging altijd met de auto naar de bank, ook al woonde hij redelijk dichtbij. Hij had er een grondige hekel aan om in de regen naar zijn werk te moeten fietsen. En het had geregend, het afgelopen najaar. Allemachtig. Nu, met de kerstversieringen al weer lang en breed uitgestald in de stad, was er nog steeds geen vlokje sneeuw gevallen. Zou er dit jaar een witte kerst kunnen zijn? Hij wou zo graag eens een witte kerst met zijn dochter meemaken. Imogeen had nog nooit een witte kerst gehad. Samen warm en knus binnen zitten, terwijl buiten een pak sneeuw ligt. En af en toe samen door de sneeuw boodschappen gaan doen. Die doffe knerpende stappen in de sneeuw, de sneeuwpoppen in de tuintjes. Allemaal hetzelfde, allemaal toch een beetje anders. Hij zou de grootste sneeuwpop van de wereld voor haar bouwen. En zij zou zeggen: "Pap, kom toch binnen. Straks vat je nog kou." Dat zou dan haar cryptische manier zijn van zeggen dat hij de liefste papa van de wereld was. Was hij wel zo’n lieve papa? Hij had er eigenlijk geen idee van waar zij over nadacht, wat er allemaal rondspookte in dat bolletje. Toen hij daar vanmiddag met Sjef over had gepraat, bekroop hem het vervelende gevoel dat hij zijn dochter veel teveel aan haar lot over had gelaten de afgelopen twee jaar. Hij was er trots op dat ze zo zelfstandig was geworden, maar misschien had ze wel niet anders gekund, met een vader die altijd naar zijn werk was en ’s avonds te moe was om iets te doen. Ze praatten ook niet genoeg over echte dingen. Het was alleen maar goeiemorgen, kook jij of kook ik, heb je genoeg geld bij je voor de boodschappen, gaat het goed op school? Ja? Mooi. Nee, ze praatten vrijwel nooit over èchte dingen. Over vriendjes, over mama, over het leven, over of hij van haar een vriendin zou mogen hebben. Zou ze willen weten of papa soms eenzaam was, als hij alleen in het tweepersoonsbed lag, naast het lege kussen? Hij ging er alleen maar van uit dat ze het ongeluk achter zich had gelaten. En als ze dan eens in een rare bui was, dan wist hij zich geen raad. Gaf haar in alles gelijk. Een liefste papa van de wereld hoort dat anders aan te pakken. Maar hoe? Door op een dag te zeggen: ik ben niet langer een softie, ik ben een vader die met beide benen in het leven staat. Ik ben de schouder waar je tegen kunt leunen, schop mij als je boos bent, en ik zal het je zeggen als je er naast zit of je aanstelt. En ondanks alles hou ik van je, als je vader. En ik zal ook je moeder zijn, voor zover dat binnen mijn bereik ligt. Hij voelde zich op het moment noch vader noch moeder.

Vanwege het vroege tijdstip was het nog betrekkelijk rustig op straat. Geen vijf minuten nadat hij in zijn auto was gestapt parkeerde Quint het voertuig in kwestie in zijn garage.
Vreemd, haar fiets stond er niet. Hij had nog zó duidelijk met haar afgesproken dat ze het altijd zou zeggen, als ze niet direct naar huis zou gaan vanuit school. Okay, ze heeft recht op haar eigen leven. Ze zal wel weer bij haar beste vriendin zijn. Quint hing zijn jas op, schopte zijn schoenen uit en liep naar de keuken. Hun kat, Polizei, begon luid te mauwen toen hij door had dat ‘het baasje’ thuis was gekomen.
"Hé, boef!", zei Quint tegen de kat, die gewend was dat mensen allerlei rare klanken uitstootten, "Iem had je allang eten moeten geven! Zal ik dan maar wat voor je pakken?". Polizei antwoordde niet en ging zich maar eens uitgebreid achter z’n oor krabben. Quint schroefde een blik kattenvoer open, deed de inhoud in het bakje waar Imogeen een paar jaar geleden ‘Polizei’ in had gegraveerd en zette het voor de neus van het beest neer. Polizei begon er met luid gesmak van te eten. Quint keek voldaan naar het resultaat van zijn actie en liep de trap op naar de kamer van zijn Imogeen. Wanneer zijn dochter afwezig was, kon Quint maar al te vaak geen weerstand bieden aan zijn nieuwsgierigheid. Dit praatte hij met zichzelf goed, door te zeggen dat een vader hoort te weten of zijn dochter er misschien verkeerde gewoontes op na houdt. Zo zou ze van hem niet mogen roken, maar hij wist dat ze slim genoeg was om niet aan die onzin mee te doen. Haar parelwitte tanden waren wat hem betreft het bewijs voor haar niet-roken. Trouwens, bij haar op school werd erg streng opgetreden tegen rokers.

Imogeen had een bijzonder nette kamer, waar alles zijn vaste plaats kende. Naast haar bed stond een klein vurenhouten kastje. Daarop lag haar dagboek (op slot) naast een juwelenkistje. In het juwelenkistje bevonden zich uitsluitend een paar plastic sieraden. Misschien zou ze binnenkort een vriendje krijgen, die haar een ketting of iets dergelijks zou geven. Misschien had ze al een vriendje! Hoe moest hij dat subtiel vragen? Móest hij daarnaar vragen? Quint pakte het dagboek op en bekeek het slot. Het had precies die eigenschappen die een willekeurig stuk metaal verheffen tot een slot. De sleutel zou ze waarschijnlijk bij zich dragen. Juist toen hij het dagboek terug wilde leggen, viel zijn oog op wat onder haar dagboek verborgen had gelegen. Het was een klein boekje met een opvallend aantrekkelijke voorkant in blauwe tinten. Het boekje had de vermakelijke titel "Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt". Nee maar, dit was het boek waar Sjef het over had gehad! Het boekje dat iedereen opeens moest lezen. Imogeen ook al. Hij had haar er nooit mee gezien. Quint sloeg het boekje open en bladerde erin. Opvallend veel plaatjes, was zijn eerste gedachte. Dat beviel hem wel, want als hij diep in zijn hart keek, had Quint een hekel aan boeken zonder afbeeldingen erin.

Quint schrok op toen beneden de voordeur geopend werd. Snel sloeg hij het mysterieuze boekje dicht, legde het dagboek erop en streek het bedsprei, waar hij op had zitten lezen, plat. Hij had wel een uur zitten lezen! Toen hij semi-nonchalant van de trap naar beneden kwam om Imogeen gedag te zeggen, spookte er nog een fragment van een gedicht uit het boekje door zijn hoofd...

Waarop moet ik nog wachten? Je voelde ’t ook toch al in je gedachten?

"Vroeg thuis!?", zei Imogeen enthousiast verbaasd tegen haar vader.
"Ja... maar jij niet. Polizei miste je al. Dag schat".
"Oòò Polizei... heb jij ’m al eten gegeven?"
"Sure. Maar waar kom jij zo laat vandaan? Het is al bijna half zes!"
"Vertel eerst maar eens wat je op mijn kamer deed!"
Altijd weer die helderziendheid, of wat was het. Kinderen kunnen je zo vreselijk door hebben. Ontkennen? Liegen? Of maar de helft van de waarheid vertellen. Dat is net zoiets als liegen.
"Ik...", begon Quint, en bleef te lang stil, "ik maakte me zorgen en keek eens op je kamer... of er misschien iets lag, weetjewel, dat ik wist waar je was".
"’t Is goed. Wat wil je eten?"
"Iets met sla", zei Quint, die naar zijn idee te weinig chlorofiel had binnengekregen de afgelopen tijd.
"Iets met sla", herhaalde Imogeen, "dan zal ik sla moeten halen. En sla kost geld."
Quint gaf haar geld en Imogeen vertrok te voet naar de supermarkt, die dan ook op loopafstand van hun huis verwijderd was.
Ik maak me weer zorgen om niks, zei Quint tegen zichzelf. Hij keek in de spiegel en zag dat hij er zoals alle levende wezens in ieder geval niet jonger op werd.

Imogeen stond aardappels te bakken. Ze kookten zo’n beetje om de beurt. Nee, dat kon hij niet met goed recht beweren. Drie keer Imogeen, één keer hij. Zoiets was het. Ze had de radio aanstaan en zong mee met een plaat, die ze nogal goed kende. Met haar hoofd naar het fornuis had Imogeen niet door dat haar vader achter haar stond.
Ze wordt steeds mooier. Net haar moeder, maar dan nog van vóór dat ik haar kende. Nog veel mooier. Kon je je als vader aangetrokken voelen tot je dochter? Ja, het kwam wel meer voor. De krant stond er vol mee. Meisje jarenlang misbruikt door vader, broers, ooms, de buurman, het hele dorp... Zoiets zou hij nooit kunnen. Hij was ook te zwak. Imogeen zou zó kwaad op hem worden dat... Jezus wat stond hij nou te fantaseren.

Waarop moet ik nog wachten? Je voelde ’t ook toch al in je gedachten?

Ze draaide haar hoofd om en keek lachend naar haar vader. Die glimlach, die fonkelende witte tanden.
"Het ruikt heerlijk schat", zei Quint.
" ’t Is gewoon aardappels met sla hoor, net als vorige week". Bijdehand meisje.
"Vorige week hadden we anders geen sla bij de aardappels..."
"Oh nee? Nee, dat is zo. Hier, schep maar door elkaar".
Imogeen gaf haar vader de bak met sla. Ze aten altijd samen in de keuken. Tafel
dekken was onzin, daar waren ze het over eens. Alleen als er bezoek kwam aten ze aan de grote tafel. Maar er kwam eigenlijk nooit bezoek. Heel in het begin was er een bezorgde maatschappelijk werkster geweest, die geen vertrouwen had in de ouderrol van een werkende vader. Ze hadden zich allebei verzet tegen alles, wat deze maatschappelijk werkster had beweerd. Maar nu wist hij niet meer zo zeker, of hij het allemaal wel goed deed.

Quint zat achter zijn computer wat te niksen. Hij had dan wel een ‘werkkamer’, maar hij deed al zijn werk op de bank. Hij had helemaal geen computer nodig. Ook geen werkkamer. Imogeen sliep allang, dus hij kon zonder angst wat vrouwelijk naakt op zijn computer zichtbaar maken. Hij had geen echt serieuze verzameling naakt-bestanden, maar het geheel was omvangrijk genoeg om niet geheel uit ’t hoofd te kennen. Toch vond hij de aanblik van zijn jonge dochter, toen ze zo lief in de keuken bezig was, een stuk opwindender dan deze geheel ontklede dames, die er allemaal uitzagen alsof ze er wel zin in hadden. Imogeentje. Zou ze het al doen met jongens bij haar op school? Nee, op haar leeftijd had hij het nog niet gedaan. Maar dat was zoveel decennia geleden. Quint liep zachtjes naar haar kamer en opende voorzichtig de deur. Ze sliep als een roos. Voetstapsgewijs liep hij naar haar bed en knielde voorzichtig bij haar neer. Haar gezicht was één en al rust, haar adem constant. Alles was mooi aan haar, en ze werd alleen maar mooier. Het rook ook zo lekker op haar kamer! Ze is beslist mooier dan BEVERLY.TIF, dacht Quint, refererend aan één van de dames op zijn computer. Imogeen maakte een zuchtend geluidje en Quint voelde zijn nekharen overeind komen. Wat moest hij in godsnaam verzinnen als ze wakker zou worden? Hij keek naar het kastje bij haar hoofd en zag dat het dagboek stuivertje had gewisseld met het interessante blauw-witte boekje. Kon hij daaruit concluderen dat ze in het boekje had zitten lezen? Hoe dan ook, hij kon haar geen ongelijk geven. Het was alsof het boekje in kwestie je in een waterval van plezier en ellende trok, waarheid en wrede spot, waar je je zowel heel erg thuis als volstrekt door god verlaten voelde. Quint keek weer naar zijn dochter. Ze slaapt naakt! ontdekte hij met een schok. Dat had haar moeder ook altijd gedaan. Imogeen had zich in haar slaap omgedraaid en had de dekens met zich mee getrokken, waardoor haar naaktheid niet meer geheel verborgen werd. Hij keek lange tijd naar haar mooie jonge meisjesbenen en haar fantastische huid, die nog geen enkel spoor van ouderdom vertoonde. Hoe graag zou hij die huid onder zijn handen voelen, al was het alleen maar omdat zij het product van hem was. Een mens kan iets (of iemand) maken en dan later in bewondering constateren dat wat hij gemaakt heeft hem meer dan een beetje bevalt. Quint voelde zich heel dicht bij de hemel komen. Hij bracht zijn hoofd voorzichtig dichterbij, zich bedwingend haar niet te kussen.
Wat doe je nu toch, je zit naar je bloed-eigen dochter te gluren. Nee, niet gluren... bewonderen. Laat ik maar weggaan, ook gaan slapen. Straks wordt ze alsnog wakker.
Quint’s dag zat erop. Met tegenzin en een oneindig hol gevoel in zijn borstkas ging hij zijn tanden poetsen. Op zo’n moment miste hij Sarah als nooit tevoren. Iemand om vast te houden en door vast te worden gehouden.

?

Naar tweede hoofdstuk