Verkeerde Plaats, Verkeerde Tijd

Tussen half vijf en vijf uur had de bank bijna altijd veel klanten. De bank sloot om vijf uur, dus dat had er wellicht iets mee te maken. Zo ook op deze sneeuwloze decembervrijdag, dezelfde dag dat Quint besloot dat hij een langer weekend dan zijn collega’s verdiende. Bij de drie loketten voor gewoon geldverkeer stonden drie rijen mensen van ongeveer gelijke lengte. In elke rij bevond zich minstens één mens dat van mening was dat hij of zij de verkeerde rij had uitgekozen. Aan de andere kant van de heuvel is het gras nu eenmaal altijd groener en de honing zoeter. Het zakelijk loket was vanzelfsprekend minder in trek. Precies twee mannen stonden geduldig op hun beurt te wachten. De beide mannen werden door de andere wachtende klanten nauwgezet bestudeerd. Hier was dan ook alle reden voor. Man één, die Zoryq heette, was geheel in het zwart gekleed. Op zijn rug was echter een gouden embleem in de stof geborduurd. Behalve een zekere geometrische schoonheid kon er van dit embleem weinig zinnigs gezegd worden. Zonder twijfel was deze Zoryq de eerste bezoeker van het zakelijk loket, die geen schoenen aan zijn voeten had. Zijn collega, genaamd Bogal, had dan wel schoeisel aan zijn voeten, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Zijn ‘schoenen’ hadden nog het meeste weg van de zwemvliezen van een wat groot uitgevallen eend. Ook Bogal was geheel in het zwart gekleed, maar het rug-embleem ontbrak. De beide heren vielen nog eens extra op door hun iets te ver uit de kassen puilende oogbollen, die de indruk wekten dat er iets niet in de haak was met de luchtdruk van de aardatmosfeer. Zoryq hing lui tegen het loket en speelde met een pen aan een ketting. Bogal keek naar buiten en leek in de verte iets te zien.
"Goedendag heren", zei de bankmedewerker van het zakelijk loket, zonder moeite te doen de ergernis in zijn stem te verbergen.
Wie waren deze carnavalsvierders en wat hadden ze in vredesnaam bij het zakelijk loket te zoeken?
"Kan ik u misschien ergens mee van dienst zijn?", ging de goede man beleefd verder.
"Wij zouden graag wat geld willen...", zei Zoryq.
"Om erdoor te kunnen brassen...", voegde Bogal eraan toe.
Zoryq ging verder:
"En toen dachten wij: komaan, dit is een bank en er schijnt niemand bij dit loket te wachten. Men geeft hier de voorkeur aan de linkerkant van dit gebouw, vreemd genoeg. Allez, om kort te gaan: met vijfhonderd gulden komen mijn vriend en ik een heel eind."
"Papiergeld... graag...", zei Bogal er voorzichtig bij.
En dat om kwart voor vijf, dacht de bankmedewerker van het zakelijk loket met een goed hoorbare zucht. Wat was ook weer de standaardprocedure voor dit soort ongewenste klanten?
"Heren, dit is het zakelijk loket. Als u geen rekening heeft bij deze bank en ook niet van plan bent er één te openen, zou u dan zo vriendelijk willen zijn dit pand te verlaten? Ja? Hartstikke mooi. Goedendag."
De man slenterde weer naar zijn kop koffie en zijn stoel, om onderweg naar zijn haven van vrijdagmiddagrust wreed tot een halt te worden gebracht.
"Hoor eens, wij gaan hier niet weg zonder vijfhonderd guldens, vriend.", hoorde hij luid en duidelijk achter zich roepen.
Inmiddels had het gezelschap de aandacht van alle aanwezige bezoekers en de drie collega’s van onze medewerker van het zakelijk loket. Er werd ongerust wat gemompeld. Toen Zoryq een geweer van meer dan gemiddelde grootte van onder zijn costuum vandaan toverde, verstomde het gemompel plotsklaps.
De medewerker van het zakelijk loket begon nog eens met "Heren...", maar liet het daarbij toen hij de loop van het geweer in zijn richting zag steken. Hier was geen standaard-procedure voor. Of was het dan toch een ‘gewone’ overval? Maar hun gezichten deden zo onschuldig en zachtmoedig aan.
"Handen omlaag allemaal", zei Bogal met een brede glimlach op zijn gezicht.
Dit commando werd door niemand in de bank goed begrepen, omdat iedereen op dat moment zijn handen al omlaag had. Voorzichtig gingen er enkele handen omhoog. Vragende blikken in de ogen van de bezoekers, nu weer eens naar elkaar, dan weer in de richting van Zoryq en Bogal.
"Wat zei ik nou?", schreeuwde Bogal.
De meeste handen gingen weer omlaag. Een meisje, achteraan in de rij het dichtst bij de deur, kon de verwarring niet meer aan en stak haar handen nog verder omhoog. Het was een leuk meisje om te zien, vast erg in trek bij haar kennissen. Bogal, die zich niet tot haar kennissenkring wenste te rekenen, haalde een kruisboog onder zijn jasje vandaan, laadde een pijl en schoot deze zonder aarzeling naar het trillende meisje. Het meisje zakte in elkaar met de pijl ergens tussen haar ogen diep in de schedel geparkeerd. Een enkeling kon een gil niet onderdrukken. Weinig origineel riepen maar liefst twee van de klanten:
"Oh nee!".
Hier en daar gingen mensen op de grond liggen, al gauw gevolgd door de rest. Eén man bleef echter staan, met zijn handen helaas voor zijn toekomst als huisvader nogsteeds in de lucht.
"En nu dansen!", zei Bogal, maar die opmerking leidde tot niets. "Dan niet", constateerde hij vervolgens op weinig vriendelijke toon.
Opeens richtte Bogal zijn blik naar de enige verticale bank-bezoeker.
"Het wil vandaag niet erg lukken, hè?", riep hij tegen de man in kwestie. "Zeg ik nog zo ‘handen omlaag’, zijn er altijd weer van die uitslovers die hun handen in de lucht steken. Ga je soms ook schijten met je broek aan? Eet je rauw vlees? Hè? Hè? Hè? Ik zeg toch alleen maar ‘handen omlaag’ zodat jullie niet allemaal doodmoe worden. Crisis zeg."
"Wat denkt u hiermee te bereiken?", was het allerlaatste wat de man met zijn handen nogsteeds in de lucht zei. Bogal schudde zijn hoofd, pakte een nieuwe pijl uit zijn jas en laadde de kruisboog. De man slikte een keer, maar hield zijn handen in de lucht.
"Uitslover", mompelde Bogal en vuurde de pijl af.
Deze doorboorde de keel van de man, die uiteindelijk toch zijn handen liet zakken.
"Vijfhonderd ballen", schreeuwde Zoryq naar de medewerker van het zakelijk loket, "Daar ga je toch geen levens voor op het spel zetten? Wat is dit voor bespottelijke bank?"
"Beww... de... we werken hier met een een een tijdslot", stotterde de medewerker.
"Moet ik het soms opschrijven? Vijf-hon-derd gul-den, en wel NU, pronto, geen smoesjes, zijn we zo weer vertrokken".
De drie medewerkers van de andere loketten verzamelden als door raketmotors aangedreven zoveel mogelijk papiergeld in een grote enveloppe en stuurden hun afgezant, de enige mannelijke medewerker van de niet-zakelijke loketten, naar Zoryq en Bogal.
"Hehier...", stamelde de man.
Zweetdruppels parelden op zijn weinig met haar bedekte schedel. Zoryq telde de buit en schudde vermoeid zijn hoofd.
"Lieden toch, dit is veel te veel! Ik zei toch vijfhonderd gulden? Dit is minstens vijf DUIZEND gulden, zoniet het dubbele! Straks zeggen jullie nog dat we de bank hebben overvallen. Oh oh oh, ik word hier zo moe van".
Zonder te kijken schoot Zoryq één maal op de geldbrenger, die zich voortaan geen zorgen meer hoefde te maken over het verminderende aantal haren op zijn hoofd. De oorverdovende knal klonk in zijn geheel uit, zonder inmenging van derden. De verwarring onder de resterende aanwezigen was inmiddels van zo’n omvang dat iedereen wijselijk zijn mond hield. Zoryq pakte vijf briefjes van honderd uit de enveloppe en strooide de rest uit over de vloer.
"Bogal, we gaan maar weer eens", zei hij tegen zijn vriend, die alweer in de verte iets meende te zien.
De twee liepen richting de deur, toen de oudste aanwezige, een vrouwtje van circa tachtig jaar, riep: "Denk maar niet dat jullie dit somaar kunnen doen! Jullie sijn gefilmd! De pliesie komt jullie wel straffen! Moordenaars!!!"
"Zor! We worden beroemd! We zijn filmsterren!", riep Bogal blij verrast uit.
Hij wees naar de beveiligingscamera en begon rare gezichten te trekken.
"Als zij niet willen dansen, dan wij wel hè Zor!", riep hij uit.
Zoryq en Bogal begonnen samen te dansen, tot grote verbijstering van alle aanwezigen, die inmiddels allemaal plat op hun buik lagen. Zoryq en Bogal zongen tweestemmig een vreemd lied, wat door geen van de andere bankbezoekers herkend werd, en dansten tussen de mensen op de vloer, nu en dan iemand op een hand of voet trappend. Eén van de vloerliggers, een zekere Heer Ouspenski, meende plotseling de melodie van het lied te herkennen. Hij had namelijk een zoon, die de wat ruigere dansfeesten frequenteerde, en allerlei naar de smaak van de Heer Ouspenski slechte en luidruchtige muziek draaide. Eén van de nummers, waarmee de zoon van de Heer Ouspenski regelmatig de fundering van het huis testte, was genaamd "Karaoke Me To Hell And Back", en de melodie van dit muziekstuk leek als twee druppels water op dat wat Zoryq en Bogal inmiddels voor gezien hielden. Zij slenterden de bank in kwestie uit, niet vergetend een folder mee te nemen over tele-bankieren.
"Dit is iets voor ons!", zei Bogal, die in de folder iets van zijn gading had gevonden.
"Met deze bank doe ik geen zaken meer", antwoordde Zoryq.
Omdat één van de bankmedewerkers, nog vóór Zoryq en Bogal gingen dansen, op een knopje had gedrukt, was er een politieauto met loeiende sirene naar het bankgebouw gereden. De auto kwam met gierende banden tot stilstand naast Zoryq en Bogal, die niet eens opkeken of harder gingen lopen. In de stellige overtuiging dat deze vreemde carnavalsvierders geen moer te maken hadden met het gebeuren in de bank, renden de twee agenten met getrokken pistolen de bank binnen. Nog geen tien seconden later kwam één van de agenten de bank weer uitrennen. Hij keek naar links, naar rechts, weer naar links, weer naar rechts. Het was net alsof hij zijn best deed kleine kinderen het goede voorbeeld te geven bij het oversteken van een straat. De bank lag echter aan een weinig kindervriendelijke straat, en de eerste school was een paar kilometer verwijderd van de bank. Ditzelfde scheen het geval te zijn met Zoryq en Bogal, die in geen velden of wegen te zien waren. Een politiehelicopter, die de buurt de rest van de avond stoorde bij het volgen van een spannende film, moest onverrichter zake naar de basis terugkeren. De twee heren waren, zo moesten de officiële instanties onder elkaar bekennen, van de aardbodem verdwenen. De pers kreeg te horen dat er sterke aanwijzingen in een bepaalde richting wezen en dat de daders van deze misselijkmakende zinloze misdaad spoedig op het matje zouden worden geroepen bij Vrouwe Justitia.
"De stad is hermetisch afgesloten", zo zei Hoofdofficier Grillée, die met het onderzoek belast was.

?

Naar het derde hoofdstuk