"Don’t worry, the match is rigged, we’re the good guys."
- Ren Hoëk (John Kricfalusi in The Ren & Stimpy Show)
Woensdagochtend om precies tien minuten voor tien stond Quint voor de deur van detectivebureau ‘King Kong’. Het bord op de deur met het embleem van een lachende aap deed hem glimlachen. De detective had over de telefoon deskundig en serieus geklonken. Alleen al het feit dat hij om precies 10:00 uur acte de présence moest geven sprak Quint enorm aan. Het inschakelen van een detective was bovendien zijn laatste hoop. Als dit nou óók niets opleverde, wat dan wel? Hij drukte op de bel en al gauw maakte het deurslot een zoemend geluid. Quint duwde de deur open en stapte in een lange gang. De hakken van zijn schoenen klikten op het marmer, toen hij door de gang liep. Als detectivebureau ‘King Kong’ zo goed loopt dat ze kunnen beschikken over een marmeren vloer, zal het wel veel succes hebben bij het oplossen van zaken. Quint’s vertrouwen steeg met de seconde. Wat er precies met zijn vertrouwen gebeurde toen hij de assistente zag was niet geheel duidelijk; Het was Nathalie, die hij nog maar een paar dagen geleden intiem had leren kennen.
"Hallo", zei ze, "U had een afspraak met de Heer Bartels?"
"Ja... ja, tien uur...", mompelde Quint.
"Ik heb het hier staan: u bent de Heer Fedex. Correct?"
"Ja Fedex. Maar..."
"Als u...", ze schraapte een keer de keel, "Als u daar even wilt wachten... ik verwacht hem elk moment hier."
Quint plofte neer in een stoel, die geen andere functie had dan er te zijn voor wachtende mensen. Goed, het was dan ook nog geen tien uur. Van tijd tot tijd wisselde Quint een blik met Nathalie, die steeds geschrokken een andere kant opkeek. Ze zat wat te typen.
"Hij is anders nooit zo laat", zei Nathalie om tien over tien, "Kan ik misschien iets voor u betekenen?"
Ze zag direct de dubbelzinnigheid van deze opmerking in.
"Koffie ofzo?", vulde ze dan ook snel aan.
"Als je ook thee hebt", zei Quint.
Tot zijn irritatie hoorde hij een zucht ontsnappen aan de kant van Nathalie. Ze stond op en ging thee zetten. Eigen schuld, dacht Quint. Ze zei ‘koffie ofzo’, niet ‘koffie’. Het was ook altijd hetzelfde; Als je ergens kwam en om thee vroeg was er een probleem. En waar bleef die detective, die zo had zitten stressen op ‘tien uur stipt’ ?
Om precies zeven minuten voor half elf kwam de Heer Bartels het pand binnen. Quint had zijn lauwe en te dunne thee allang achter de kiezen.
"Sorry. Ik zat in de file. Kan gebeuren. Sorry."
"Het is niets", zei Quint.
Bartels keek een moment naar de glimlachende Quint. Gaan we leuk doen? Híj zei altijd ‘het is niets’, niet de klanten.
"Heeft u al koffie gehad van Nathalie?", vroeg de detective.
"Thee", antwoordde Quint.
Aah! Een thee-drinker! Lekker lastig doen, dacht Bartels.
"Bartels is de naam, trouwens. Harold..."
Ze schudden elkaar de hand.
"Quint Fedex"
Enigszins in verwarring door de afwijkende naam van zijn klant liep Bartels verder.
"Als u mij wilt volgen?"
Quint slenterde achter Bartels aan, die hem ontving in zijn privé-ruimte. Alleen de kauwgumballen-automaat ontbrak. Voor de rest leek de kamer van Harold Bartels in alles op de detective-kamer uit een willekeurige detective-film.
"Steek van wal kerel", zei Bartels toen zij tegenover elkaar zaten.
Quint vertelde het hele verhaal, inclusief het bezoek aan het planetarium. Bartels maakte aantekeningen en besloot de zaak met:
"Okay, ik zal zien wat ik kan doen. Ik neem contact op."
Dus zo gaat dat, dacht Quint toen hij de kamer verliet. Je vertelt je verhaal en ze gaan voor je op zoek. Hij had verwacht dat de detective emmers vragen over hem heen zou storten, vragen waar hij geen antwoord op zou weten. Maar niets van dat alles. En waarom, in godsnaam waarom, waarom was zijn assistente nou juist Nathalie? Waarom was alles altijd zo verschrikkelijk toevallig? Toen hij haar bij het verlaten passeerde, zag hij in een flits haar naakte lichaam voor zijn geestesoog. Ze keken elkaar aan en hij bleef stil staan.
"Nathalie", zei hij.
"Tot ziens meneer Fedex. Nog een prettige dag", zei Nathalie als een perfecte assistente.
Bartels, die het gebeuren van een afstand aanschouwde, begreep er niet zoveel van. Nathalie deed... ‘anders’. Ja, anders. Ze keek de klant ‘anders’ aan en... ach, het deed er ook niet toe. Het was zijn beroep om dingen niet te begrijpen. Het was niets.
Quint zat thuis naast de telefoon. Hij wou Marga bellen, maar het feit dat hij zich de vorige avond als een idioot had gedragen weerhield hem ervan de hoorn op te pakken. Hij dacht aan de droom, waarin Sarah was verschenen. Soms dacht hij een droom te kunnen begrijpen, maar de extreem realistische droom van de afgelopen nacht had veel weg gehad van een hallucinatie. Een wirwar van gegevens, die niets met elkaar uit hadden te staan en ook helemaal niet uit zichzelf verklaard konden worden. En dan was er Marga, die opeens zo anders had gedaan, terwijl hij naar haar verlangde. Vroeger op school had hij wel eens een eendere situatie meegemaakt. Hij had een meisje uit zijn klas, met wie hij het heel goed kon vinden, de liefde verklaard. Daar had ze toen afwijzend op gereageerd, en het was eigenlijk nooit meer goed gekomen tussen hun. Spreek het magische woord uit en de relatie bloedt dood. Zo was het nu ook met Marga. Zou ze hem zielig vinden? Medelijden was geen goede basis voor een relatie, voor een vriendschap. Híj zou zich een nietige erwt voelen, zij zou op een gegeven moment het medelijden omzetten in verachting. En alsof hij nog niet genoeg was belast met het verdwijnen van zijn dochter zat daar bij de detective dezelfde Nathalie, die hij zondagavond tot een orgasme had gebracht. Quint flitste van gedachte naar gedachte, overal vastlopend in te moeilijke vragen, en kwam tot niets. Als een verlamde zat hij een paar uur op zijn plaats naast de telefoon. Juist toen hij tot de ontdekking kwam dat hij last had van een volstrekt lege maag, ging de telefoon.
"Goeiedag, Harold hier. Zeg, ik heb een adres gevonden waar ze vorige week iemand hebben aangehouden in verband met het opnemen van... kinderporno..."
Kinderporno? Quint huiverde. Koude naalden leken hem te prikken, onzinnige impulsen flitsten door zijn zenuwen.
"Kinderporno?", zei hij zacht.
Harold Bartels noemde een adres.
"Zegt dat iets? Ik bedoel, in verband met je dochter?"
"Neenee..."
Quint wist niet eens dat er een Jaringstraat bestond.
"Ik ga er eens even een kijkje nemen", zei Harold, "Ik laat het weten als ik iets vind. Vandaag hoor je van me. Dag."
De verbinding werd verbroken. Quint moest huilen. Niet zomaar een paar tranen, nee, het stroomde over zijn wangen. Van alle mogelijkheden waarom nou juist kinderporno? Imogeen! Ze had nog nooit een vriendje gehad, en nu hadden ze haar ergens toe gedwongen. Waarom zat deze wereld zo onterecht in elkaar?
Polizei sprong op zijn schoot en gaf hem een neus.
"Polizei", snotterde Quint.
Polizei begon de tranen van zijn gezicht te likken. Met een geduldige raspende tong likte de kat elke traan weg. Quint onderging het zonder zich te verzetten. Polizei was misschien de enige die op dit moment troost kon bieden.
Zou ze nog leven? Zouden ‘ze’ haar vermoord hebben, nadat...
"Wacht!", zei hij hardop.
Wie zei dat Bartels het bij het rechte eind had? Het kon ook nog toeval zijn. Imogeen was slim genoeg om zich niet te laten betrekken bij één of andere onmenselijke toestand. Eén ding wist hij bovendien zeker: ze was uit vrije wil ergens naartoe gegaan. Ze had er bewust voor gekozen niet direct nadat hij haar had afgezet bij Laura en Marga aan te bellen.
Ze zou het toch niet om het geld hebben gedaan? Meespelen in een pornofilm voor geld? Nee, hij gaf haar genoeg zakgeld. En ze was heel erg zuinig. Onzin, ze was ècht niet willens en wetens in een pornofilmpje gaan spelen. Quint haalde de stapel foto-albums tevoorschijn en begon erin te bladeren. Hij wou haar gezicht zien. Hij had zo’n onbeheersbare behoefte haar gezicht te zien, dat hij alle foto-albums nauwgezet doorkeek. Een paar uur later was hij er zeker van dat dit meisje, zijn lieve dochter, nooit in staat zou zijn bij haar volle verstand te acteren in één of andere porno-film. Toen herinnerde hij zich plotseling weer zijn twijfel van een paar dagen geleden: hoe kon je überhaupt iets echt volstrekt zeker weten? Het boek van Thyssen had nogal wat pseudo-zekerheden bij de wortel uitgetrokken. Als een schrijver kon fantaseren over het bezoeken van een hoer en daarnaast een betrekkelijk gewoon leven tussen vrienden, familie en kennissen kon hebben, zou Imogeen dan kunnen fantaseren over het meespelen in een porno-film? En ze was per slot van rekening op de leeftijd dat fantasie en werkelijkheid nogal eens door elkaar lopen. Hij moest het zeker weten. Voorzichtig tilde hij Polizei van zijn schoot en legde hem op de bank. Polizei, die er tot op zekere hoogte geen bezwaar tegen had als er met hem werd gesold, nam het voor lief en zette zijn dutje voort op de bank. Quint haalde een kaart tevoorschijn, zocht de Jaringstraat op en reed er zo snel mogelijk naartoe.
Bogal werd geheel in beslag genomen door zijn magische experiment. Het had uren en uren geduurd eer hij alle elementen verzameld had. Het boekje van Thyssen bevatte zo’n onwerkelijke hoeveelheid aan verschillende invalshoeken dat de term ‘bloemlezingen en gedichten’ wel bijzonder weinig op zijn plaats was. Zoryq was helemaal moedeloos geworden, toen Bogal op zoek was naar strontiumnitraat om de ‘verlichtende valkuilen’ op het pad van de lezer in een element te vangen. Nergens hadden zij strontiumnitraat kunnen kopen of stelen, zodat Bogal uiteindelijk genoodzaakt was de natuurwetten aan zijn laars te lappen en een aantal Yttrium-moleculen met keukenzout te mishandelen. De kerndeeltjes die hier als artefacten bij vrijkwamen zochten als ronddolende wezentjes naar receptieve deeltjes. Eén en ander leidde uiteindelijk tot het afsterven van enkele planten in de nabijheid van Bogal, die er warm noch koud van werd.
Maar nu was het eindelijk zo ver. Bogal had alle verschillende deeltjes (die hij geheel tegen de aardse chemie in ‘elementen’ noemde) verzameld en was verzonken in een magische trance. Zoryq keek toe en zag, hoe er langzaamaan een stofwolk ontstond boven het geïmproviseerde altaar van Bogal. De stofwolk werd steeds ondoordringbaarder en kreeg na verloop van tijd een antropomorf uiterlijk. Beentjes en armpjes groeiden uit de ‘wolk’, die inmiddels gestalte gaf aan een trillend wezen met zowaar ogen, een neus en een mond. Bogal vloekte en tierde in onbegrijpelijke woorden. Het experiment vergde zó’n hoeveelheid energie dat hij de hulp inriep van een nabijgelegen hoogspanningsmast. Bliksemschichten schoten van de hoogspanningsmast naar Bogal en van Bogal naar het wezen dat steeds meer coherentie begon te vertonen.
"Zegren oharoq", sprak Bogal en een kort ogenblik zat een groot gedeelte van de stad zonder electriciteit. Het energiebedrijf kon de storing niet verklaren, temeer daar er absoluut geen sprake was van windstoten of onweer.
Nadat Bogal zijn laatste formule had uitgesproken veerde hij achteruit en kwam naast Zoryq staan.
"Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt, in levende lijve!", zei hij trots.
"En nu?"
"Ssst! Kijk maar!"
Waar Bogal in het geheel niet op had gerekend was dat het wezen in kwestie direct bij zijn natuurwetten-verachtende ‘geboorte’ reeds zó’n heldere kijk op het gehele bestaan had, dat het er bij voorbaat al absoluut geen zin meer in had. Een concreet doodsverlangen maakte zich ogenblikkelijk meester van Bogal’s homunculus. Het naakte wezentje rolde een keer met zijn bloeddoorlopen ogen, keek zijn maker teleurgesteld aan en trok vervolgens het hoofd van zijn romp. Bogal en Zoryq keken vol afschuw toe.
"Shit. Niet levensvatbaar", zei Bogal en liep weg. Hij trapte tegen een steentje en ging op de grond zitten. Zoryq ging naast zijn collega zitten en zei:
"Geeft niet. Hebben het in ieder geval geprobeerd."
"Geeft wel"
"Ach... trek het je niet aan!"
"Geeft wel, alles! Alles voor niets! Wat nu?"
En dat was nu precies de vraag waar Zoryq op dat moment geen antwoord op had.
Harold Bartels voelde zich een perfecte detective toen hij door het kelderruitje naar binnen kroop op adres Jaringstraat 63. Vorige week was hier een inval gedaan, zo had zijn informant van de zedenpolitie gezegd. Harold Bartels had een paar keer aangebeld en daarna rond het huis gelopen. Klaarblijkelijk was er niemand thuis. De ideale omstandigheden om de boel eens nader te verkennen dus. Met zijn jas tegen het glas had hij een ruitje ingeslagen en nu was hij binnen in het pand waar men zulke onzedelijkheden beging. Hij stond in de kelder. Als een volleerd detective haalde hij een zaklantaren tevoorschijn en knipte het ding aan. Toen hij zijn blik wierp op de spullen in de kelder, voelde hij instinctief dat hij op het juiste punt aangeland was. Op een grote tafel bevond zich een videomontageset. Kasten vol met tapes stonden tegen de wanden van het vertrek. Hij floot een keer tussen zijn tanden. Met de zaklantaren in zijn mond bekeek Harold Bartels videodoos na videodoos. Al gauw had hij door dat ze er hier een systeem op na hielden. Op elke doos stond een nummer dat zonder omhaal duidelijk maakte wanneer de tape in kwestie opgenomen was. Harold, die wist hoe hij met audiovisuele apparatuur moest omgaan, nam plaats aan de montagetafel en besteedde enige tijd aan het bekijken van videotapes. Tot zijn verbazing was hier absoluut geen sprake van kinderporno. Elke tape was een verslag van een ornitologische waarneming. Toen Harold geen vogel meer kon zien, besefte hij zich dat de bewoners van dit pand ook wel erg onvoorzichtig zouden moeten zijn om pornotapes open en bloot in de kast te hebben staan. Ging het hier om een dekmantel? "Nooit iets half doen", was het motto van Harold, en met deze instelling had hij ettelijke zaak tot een succesvol einde weten te brengen. Nu hij toch in het verdachte pand was, stond niets hem in de weg de rest van de villa aan een onderzoek te onderwerpen. Voorzichtig opende hij de deur van de kelder, die toegang verschafte tot de rest van de villa. Harold was een voorzichtig mens, door schade en schande wijs geworden. Dat niemand de deur opendeed wou nog niet zeggen dat er daadwerkelijk niemand in het huis aanwezig was. Toen hij dan ook oog in oog stond met een zwaargebouwde man, was hij niet eens verbaasd. De man zei niets en hoefde ook niets te zeggen; Het rondje op de plaats van zijn rechterhand was de loop van een pistool, waar Harold bij wijze van spreken de kogel in kon zien zitten. Reflexmatig tilde hij zijn handen op. De man reageerde niet. Eén keer eerder had Harold de dood in de ogen gezien, toen een man die hij moest achtervolgen uit het niets een revolver tevoorschijn had gehaald. Op die dag had Harold zich beseft dat je het in zo’n situatie niet beter kunt treffen dan wanneer het pistool van vlakbij op je wordt gericht. Destijds, een jaar of zes geleden, had hij het wapen uit de handen van zijn belager kunnen trappen. Hij moest nu al zijn moed bij elkaar rapen en hetzelfde proberen, anders was dit misschien wel de laatste zaak in zijn loopbaan als detective. En Harold had absoluut geen zin om zich nu al in te schrijven bij het wurmen-hotel, zeker niet voor zo’n vermiste puber-zaak.
"Wat zoekt u hier?", vroeg de man.
"Eh... niks, ik ben privé-detective..."
"U bent privé-detective en u zoekt niets, hmm. Zal het wel niet zo goed lopen met uw zaak want meestal is een detective ergens naar op zoek, toch?"
"Nee ja ik bedoel: ik zoek wel iets, of eh... iemand, maar niet hier. Niet meer. Ik heb het hier wel gezien, neem me niet kwalijk, dat..."
"Ik stel voor dat u maar eens ophoepelt. Kan ik mooi de glasverzekering opbellen want u bent volgens mij niet door de voordeur naar binnen gekomen. Was u het trouwens die mij uit bed heeft gebeld en hier als een idioot aan de deurbel stond te hengsten?"
"Ik ben bang dat ik eh.. dat inderdaad was", zei Harold vriendelijk.
"U weet niet half hoezeer u mij heeft gestoord. Nacht na nacht ben ik op pad om een uil te filmen. Heb de slaap hard nodig."
"Neem me niet kwalijk. Ik heb respect voor uw werk, maar ik ben ook maar een privé-detective..."
"Donder maar op", zei de man.
In zichzelf verzonken reed Harold richting de wijk waar Quint woonde. Hij had niet door dat hij al in de bocht van de Jaringstraat de auto van Quint passeerde. Quint wist op zijn beurt niet eens in wat voor auto de door hem gehuurde privé-detective rondreed en zo kon het gebeuren dat Quint overmoedig aanbelde op adres Jaringstraat 63.
"Mot je?", zei een boom van een vent in de deuropening.
"Ik wil mijn dochter terug! Waar is ze?", antwoordde Quint weinig tactisch.
De vogel-man sloeg Quint op zijn allerhardst in het gezicht en sloeg vervolgens de deur dicht. Quint voelde zich duizelig. Voorzichtig hurkte hij neer bij de voordeur en verloor het bewustzijn.
"Hé sorry man, maar je maakte me ook zo kwaad!"
Dezelfde man die hem geslagen had, tilde Quint het huis in.
"Gaat het een beetje?", vroeg hij. Onder het overweldigende uiterlijk was de bewoner van Jaringstraat 63 uiterst vriendelijk, zo moest Quint toegeven. Hij zat aan de keukentafel met een servetje onder zijn neus. De enorme man haalde wat lauw water in een bakje en een washand en maakte Quint’s gezicht schoon.
"Ja, weet je wat het was?", zei hij, "er had al zo’n leukerd bij mij ingebroken, privé-detective, en ik moet overdag nu eenmaal slapen. Ik neem vogels waar, ‘s nachts, begrijpt u? We tellen vogels, om na te gaan of er bedreigde soorten ontstaan in ons land. En kort geleden was de politie hier ook al aan de deur. Man, wat een gedoe! Ik bedoel, ik weet echt niet wat hier allemaal aan de hand is hoor"
"Au!", zei Quint, die er van overtuigd was dat zijn neus gebroken was.
"Sorry... is ’ie gebroken? Enfin, toen u mij kwam lastigvallen over een verdwenen dochter was het niet? toen... toen flipte ik een beetje. Krijg je ook van dit beroep. Echt, het spijt me."
"Het is niets", zei Quint.
Harold Bartels reed in de buurt van de woning van Quint. Meer dan eens had het iets bruikbaars opgeleverd om gewoon maar wat rond te toeren in de buurt van de woning van een klant. Vlak in de buurt was een natuurgebied met een meer.
Laat ik daar maar eens wat rondspeuren, dacht Harold.
Hij parkeerde zijn auto bij de waterkant en stapte uit. Het was behoorlijk koud. Harold propte zijn handen in de zakken van zijn dikke winterjas en liep over het strand bij het meer. Hij staarde over het meer naar de horizon. In de verte kwam een vliegtuig aan, knipperende lichtjes, een vredig gezicht. Hier schoot hij niets mee op. Als Imogeen Fedex vermoord was, dan lag ze niet op het strand op hem te wachten. En als ze van huis was weggelopen (aannemelijk voor meisjes van die leeftijd) zat ze nu beslist niet ergens op het strand te jammeren. Harold verliet het strand en baande zich een weg door de struiken. In de verte zag hij een betonnen voetgangers-tunnel. De ideale plaats voor van huis weggelopen meisjes, die serieus denken dat ze van restjes kunnen leven en tussen kartonnen dozen en afval kunnen overnachten. In het voetgangers-tunneltje lagen alleen maar twee mannelijke zwervers. Hun dranklucht irriteerde Harold.
"Eh hallo.. Heeft u dit meisje misschien gezien?"
Harold haalde een foto tevoorschijn, waarop een lachende Imogeen haar tanden ontblootte.
De zwervers antwoordden niet. Harold haalde twee briefjes van vijfentwintig gulden tevoorschijn en liet ze tussen zijn vingers ritselen.
"Mmwat?", zei één van de zwervers en tikte zijn lotgenoot op de schouder.
"Ik wist het wel!", zei Harold, "Worden we nu een beetje wakker?"
"Meissie... d’r vandoor... vriendje...", zei de zwerver die door zijn lotgenoot wakker was gemaakt.
"Zal je wat vertellen!", zei de andere zwerver.
Het werd stil.
"Wat wil je zeggen?", zei Harold, die nogsteeds baas was over het papiergeld. Hij hurkte neer bij de zwervers.
"Wat ik wil zeggen is dit", antwoordde zwerver nummer één, "Ze was een uitstekend maal. Beter dan jij, mislukte privé-lul. Maar ja, we mogen niet teveel eisen. En die vijftig piek kun je meenemen in je graf, want we hebben al geld zat. Hoeveel ook weer, Zor?"
"Dik vierhonderd piek", antwoordde zwerver nummer twee.
Harold liep een paar passen achteruit, maar het mocht niet baten. Nog geen kwartier later roosterden Zoryq en Bogal hun tweede mens die week.
"Verhaal!", schreeuwde Bogal vrolijk toen de laatste resten van Harold onder de grond verdwenen waren.
"Mooi niet", zei Zoryq, "We gaan bij Thyssen op bezoek..."
Hij speelde wat met het visite-kaartje van Harold Bartels.
"Maar laten we eerst iemand bellen!"
Harold Bartels had met zijn assistente Nathalie afgesproken dat hij haar in zijn afwezigheid om de twee uur zou bellen om te laten weten dat alles binnen de grenzen van het redelijke in orde was. In de paar jaar dat ze bij detective-bureau ‘King Kong’ werkte had hij zich strikt aan deze afspraak gehouden. Tot vandaag. Hij was al bijna een half uur te laat. Nathalie wist niet wat ze moest doen.
De telefoon rinkelde.
"Goddank Harold", zei ze, "Ik was al zó ongerust..."
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.
"Hallo? Harold?"
"Karaoke me to hell and back", zong een stem aan de andere kant van de lijn.
"Harold?", herhaalde Nathalie.
"Ha-Ha-Harold... de naam van een walrus!"
Nathalie kreeg het idee onderdeel uit te maken van een flauwe grap. Alleen omdat Harold voor zijn doen laat was en zijn afspraak niet was nagekomen wachtte Nathalie met het verbreken van de verbinding.
"Weet u waar Harold is?", vroeg ze geduldig en met weinig optimisme over wat het antwoord zou zijn.
"Harold ging uit wandelen en struikelde... over zichzelf"
"Is hij in gevaar? Wie bent u? Hallo?"
"Ook goeiedag. Wel, Harold wás in gevaar, maar nu is hij verheven boven goed en kwaad. Als u behoefte heeft aan een carrière-shift, dan kan ik u mededelen dat er een vacature openstaat... die van uw baas. En voor wat betreft het ‘wie bent u’, tja... ik heb zo het vermoeden dat het antwoord..."
Nathalie had dan toch eindelijk de verbinding verbroken. Plotseling had ze spijt van een hele hoop dingen. Van tijd tot tijd werd ze overvallen door een aaneenschakeling van spijtgevoelens. Dit was zo’n moment. Ze had spijt van het feit dat ze de hoorn had neergelegd. Ze had ook spijt van deze baan, waarin elke dag zoveel op het spel stond. En ze had ook spijt, ontzettend veel spijt, dat ze Quint had behandeld als een willekeurige klant. Ze had hem laten gaan, terwijl ze wist dat hij vrij was. De spijt maakte enige ruimte vrij voor angst. Angstig liep Nathalie door de lange marmeren gang naar de voordeur. Het was vier uur en ze mocht naar huis. Met haar handen in de zakken van haar lange regenjas kwam ze aan bij de voordeur. Een moment aarzelde Nathalie. Ze moest haar privé-leven gescheiden houden van het werk. Maar ja, de telefoon ging weer over. Ze draaide zich om, rende terug naar het kantoor, opende de deur en nam de telefoon op.
"Harold?", vroeg ze.
"Wat is het toch met die Harold?", werd er aan de andere kant van de lijn gevraagd.
"Pardon?"
"Weet je dat dit hele telefoongesprek alleen maar uit vragen bestaat?"
"Wie bent u?"
"Zie je?"
Nathalie verbrak de verbinding. Wat waren dat toch voor mensen, die gekbellers. Ze had het nooit kunnen vatten. Haar broertje had vroeger ook deze vreemde ‘hobby’ gehad. Ze verdacht hem er zelfs van nogsteeds af en toe nietsvermoedende burgers ’s nachts uit hun bed te bellen. Ze had hem wel eens gevraagd wat dat volgens hem nou voor zin had.
"Het gekke is", had haar broer geantwoord, "dat het allemaal geen zin hóeft te hebben, want niets heeft zin."
Dit had haar nog verder van huis gebracht.
"Iedereen heeft wel zo’n beetje een telefoon in huis, en iedereen wordt maar netjes gebeld door vrienden en kennissen en er gebeurt nooit eens iets. Ja, héél soms belt iemand met z’n haastige kop het verkeerde nummer en schuift dan de schuld nog door in de richting van de telefooncentrale, die hem zogenaamd ‘verkeerd’ zou hebben ‘verbonden’. En net zoals je op straat eigenlijk niet raar moet opkijken als iemand uit het niets zegt dat je een stomme lelijke neus hebt, kun je ook zomaar uit het niets gebeld worden. Sterker nog, ik kan besluiten dat ik jou het leven zuur ga maken omdat mij dat nou eenmaal een gaaf idee lijkt. Ja, ik ga je elke dag bellen, totdat je er eindelijk iets aan doet; een ‘geheim nummer’, de haak ernaast leggen, of wat dan ook. Maar je bent gedwongen íets te doen. Het bijltje er bij neerleggen is nu eenmaal geen optie. En wat er ook gebeurt, ik heb jou veranderd, of je het nou leuk vindt of niet. Simpel. En jij leert dan iets over jezelf, omdat je nog nooit tevoren werd geconfronteerd met het gegeven. Een indringer? En waar is de opengebroken deur? Hoezo heb ik geen macht in dit land?"
Nathalie moest hieraan terugdenken. De telefoon ging weer.
"Ha ha, heel leuk, eikel", brulde ze in de hoorn.
"...Mmmuh? De... pardon, ik geloof dat ik verkeerd verbonden ben?"
Ze verbrak voor de derde keer die dag voortijdig de verbinding. Het kon haar niet schelen of die laatste beller misschien iemand anders was geweest, die een verkeerd nummer had ingetoetst. Het idee alleen thuis te zijn stond haar niet aan. Nee, het bezorgde haar zelfs de kriebels. Want haar broertje had het destijds zelden gelaten bij alleen maar gekbellen. Vaak had hij bij zijn slachtoffers aangebeld met de mededeling dat híj het was, die hun nachtrust verstoorde. Wat ze van plan waren er aan te doen. Toen hij op een kwade dag met een gebroken kaak was thuisgekomen kwam er een einde aan dit gedeelte van de ‘grap’. Niettemin, zonder zelf precies te weten waarom verwachtte ze dat de gekbellers vanavond bij haar aan zouden bellen. En dat idee stond haar, zoals reeds gezegd, in het geheel niet aan. Ze probeerde Marga te bellen, maar de telefoon werd niet opgenomen. Ach ja, Marga had het gezegd: er was die middag een bespreking op school. Een stout plan kreeg plots gestalte in het hoofd van Nathalie. Ze kon Quint natuurlijk opbellen! Die zou vast wel langs willen komen! Ze zocht zijn achternaam op in het telefoonboek. Zoals ze eigenlijk wel had vermoed stond er maar één ‘Fedex’ in het telefoonboek. Elke twijfel omtrent de juistheid van het telefoonnummer werd weggenomen door de voorletter bij de naam: Q. Opgewonden toetste ze zijn nummer in, maar toen de pogingen een verbinding tot stand te brengen uiteindelijk door de centrale gestaakt werden, moest Nathalie constateren dat ze er alleen voor stond. Iedereen was weg, niet thuis, foetsie, niet voor haar beschikbaar, ergens anders, afwezig. Ze reed naar huis, at een gebakken ei, maakte zich extreem sexy op en verdween in het uitgaansleven.