Een Gezellig Samenzijn

"Plotseling is het meer gelukzalig stil.
Het lichaam kent geen herinnering.
Hoe graag zou ik houden van wat ik ben."
- J.Bernlef (Wolftoon)

Quint liep over straat. Hij had besloten bij het meer te gaan kijken. Hij voelde in zijn botten dat Imogeen zaterdagavond naar het meer was gegaan om iets op te halen. Ze kon gemakkelijk binnen een half uur naar het meer en weer terug lopen vanaf het huis van Laura en Marga.

"... was een cadeau van mijn moeder. Ik ga het vandaag nog halen. Kom ik daarna wel naar jou toe"

Ze had haar horloge uitgedaan, waarschijnlijk vrijdag al. Ja, want ze was vrijdag ongebruikelijk laat thuisgekomen. Hey, natuurlijk had ze het recht ’s middags ergens naar toe te gaan in plaats van direct naar huis te gaan. Maar sex? Voor geld? Zou het de slechte invloed van Laura zijn? Die had namelijk best een rare losbandige moeder, als hij zo eens op het gebeuren terugkeek. Maar hij besefte zich dat hij minstens net zo losbandig had gereageerd toen zij nog geen week geleden suggereerde dat ze naar Nathalie zouden gaan. Eén ding wist hij zeker: Sarah en hij hadden nooit de indruk gewekt dat Iem haar lichaam aan jan-en-alleman kon verkopen. Tot deze week was hij altijd trouw gebleven aan Sarah.
"Wat doet het er ook toe", zei hij hardop.
En een nieuwe stemming maakte zich meester van Quint. Hij was altijd zeer vredelievend geweest, zo was hij immers ook opgevoed. Maar nu vond hij dat iemand straf verdiende. Ook al zou Iem weer in zijn armen mogen houden, íemand was er de schuld van dat zij een paar dagen zoek was geweest. Wat er ook gebeurd was, tot op zekere hoogte was het tegen haar zin gebeurd. Dat kon niet anders. Quint wist dat hij nooit zou kunnen rusten voordat hij wraak had genomen op de schuldige.

Zoryq en Bogal zaten aan de waterkant. Zoryq gooide een steentje in het water en vroeg:
"Zeg, wil jij nog terug? Wat zeggen we eigenlijk?"
"Win some, lose some", zei Bogal, "Maar hier blijven... ik weet het niet hoor. Dan zit ik nog liever...."
"Sst! Hoor je dat?"
"Wat?"
"Nee ik dacht dat ik iets hoorde. Laten we Sal maar eens roepen en hem uitleggen dat dit niet zo’n geslaagd idee was."
"Laat mij maar Zor", zei Bogal, "Ik heb per slot van rekening de meeste schade aangericht. En ik ben nog niet zo’n veteraan, dus ziet ’ie eerder dingen door de vingers."
"Ik weet het niet, ik weet het niet", zei Zoryq, die wist dat Sal niet altijd redelijk bleef, "Maar ga vooral je gang. Ik blijf hier wel zitten."
Bogal verdween uit het zicht. Zoryq dacht terug aan het gesprek met Julius Thyssen. Met Sal kon je niet praten, met Julius wèl. Zoryq had allerlei spannende ideeën gehad omtrent de schrijver, maar hij was in het echt nog veel spannender. Iemand die tenminste verder keek dan zijn neus lang was. Zoryq was vol ontzag voor de schoonheid van het lot; De mensheid, geboren uit een halfbakken idee, alleen maar routineus in stand gehouden, had een ‘nieuwe mens’ opgeleverd, die daar boven stond. Julius was waar Sal bang voor was. Zoryq zag in dat er hier op aarde een interessanter bestaan geleefd kon worden dan als slaaf in de half-stoffelijke Sal-hierarchie.
"Als dit steentje drie keer of vaker op het water-oppervlak springt, dan kan Sal mijn hulp verder wel op zijn buik schrijven", sprak Zoryq plechtig uit. Zacht fluisterde hij een toverspreuk, die hij Bogal ooit had horen zeggen, en gooide het steentje weg. Het steentje ketste twee keer op het water, drie keer, vier keer... het hield niet meer op! Bovendien had het er alle schijn van dat het steentje in een boog over het meer danste en zelfs weer terugkwam richting Zoryq. Toen het steentje voor de zoveelste keer langs kwam springen was het voor Zoryq duidelijk dat het hier niet meer om ‘schijn’ ging.
"WACHT MAAR!! TOT MIJN BOEK UITKOMT!!", fulmineerde hij over het meer, alsof het om een politieke strijdkreet ging.

Quint stond naast een telefooncel te wachten. De zon, die zich die dag nauwelijks had laten zien, was al ruimschoots onder de horizon gedoken. Quint voelde zijn maag tekeer gaan. Hij had sinds een uur of tien die ochtend helemaal niets meer gegeten. De laatste dagen had hij sowieso bijzonder slecht en weinig gegeten. Hoe kon hij nou voor zichzelf gaan koken, zo zonder Imogeen? Hij kon het niet.
In de telefooncel stond een jongen van ergens tussen de twintig en dertig jaar te praten in de hoorn. Quint liep een rondje om de telefooncel en zag de jongeman geërgerd kijken.
Relax, eikel, dacht Quint, ik wacht wel.
De jongeman verbrak de verbinding en verliet de telefooncel.
"Neemt u mij niet kwalijk", zei hij met een nasale stem.
"Kerel", antwoordde Quint, "Wat kan mij dat nou allemaal verrotten. Voor mijn part had je nog een uur staan bellen met je.. zieke neefje in Australië. Het is niet míjn telefooncel, weetje."
"Ik zei alleen maar neemt u mij niet kwalijk..."
"Ja ja ja dat hoorde ik wel, maar waarom zou ik je iets kwalijk nemen?"
"Ik kreeg sterk de indruk dat u haast had. U liep zo om de telefooncel heen en ja, dan denk je..."
"Als je in deze koude wind niet af en toe een paar stappen zet, kunnen ze je binnen de kortste keren afvoeren wegens hypothermie."
"De wat?"
"Hoe dan ook, ik moet nu mijn privé-detective bellen want m’n dochter is zoek. Ajuus."
De jongeman liep weg, weg van die telefooncel en weg van die enge man, die fire-cracker.
Quint toetste het telefoonnummer van detective-bureau ‘King Kong’ in en kreeg het antwoordapparaat aan de lijn. De mooie stem van Nathalie legde geduldig uit dat iedereen naar huis was maar dat er een boodschap achter kon worden gelaten.
Uiteraard, dacht Quint en verbrak de verbinding.
Op het visitekaartje van Harold Bartels stond ook zijn privé-nummer. Hier ving Quint echter alweer bot: de telefoon ging over totdat de automatische telefooncentrale besloot dat het zinloos was nog langer te proberen contact te zoeken. Quint zag zichzelf in een flits van transcendentie in de telefooncel staan, helemaal alleen in een hopeloze zaak. Hij zag de planeet aarde voor zijn geestesoog en stortte vervolgens door de aardse atmosfeer terug naar de telefooncel, waar hij eenzaam stond te zijn.
Geen Imogeen.
Geen Sarah.
Geen hoop.
Buiten was het koud, binnen in de telefooncel was het zowaar best behaaglijk warm. Deze constatering wierp Quint weer terug op de kale uitzichtloosheid van zijn bestaan. Hoe zou hij ooit verder moeten? Goochelend met alle tegenslagen en negatieve emoties in zijn hoofd zag Quint voor de zoveelste keer die week hoe het zwart werd voor zijn ogen. Een beklemmende pijn nam bezit van zijn borstkas, zijn oren begonnen te ruisen en Quint zakte langzaam door zijn knieën. Hij voelde hoe zijn hart in zijn borstkas bonkte. Een paar minuten bleef hij op de vloer van de telefooncel zitten. Pas toen de ruis uit zijn oren was verdwenen hees hij zich op aan de stang van de deur en verliet de telefooncel. De frisse lucht deed hem goed.

Quint slenterde terug naar het strand bij het meer. Met zijn handen in zijn zakken liep hij naar het dichtsbijzijnde hutje. De hutjes, waar er in totaal tien van rond het meer gesitueerd waren, werden in de zomer gebruikt als omkleed-ruimtes. Quint wou wel eens met eigen ogen zien waar Imogeen en Laura de liefde hadden bedreven met mannen... voor geld. Shit shit shit, hij had haar toch zeker niet te weinig zakgeld gegeven? Ze had er nooit over geklaagd, nooit!

Quint liep een hutje binnen. Direct buiten het hutje had het sterk naar urine geroken, maar binnen in het hutje rook het aangenaam naar hout. Quint keek eens om zich heen. Dit was toch wel een bijzonder troosteloze ruimte om de liefde te bedrijven; Er waren twee harde houten bankjes en hier en daar was een kledinghaakje in een balk geschroefd. De meeste haakjes hadden hun beste tijd echter al ruimschoots achter de rug. Quint keek naar een plank, waar een zin in was gekrast. Paul is een oplichter Quint, die geen Paul kende, verliet omkleedhut nummer één en ging op weg naar hut nummer twee. Daar aangekomen bleef Quint een moment stil bij de deur staan. Er klonk een geluid uit de hut, een meisjesstem. Quint’s hart sloeg een keer over om daarna de schade dubbel en dwars in te halen. Imogeen! Van opwinding wist hij niet wat hij moest doen. Hij zou haar alles vergeven, zelfs als ze nu met... met...
"Iem!", schreeuwde hij met tranen in zijn ogen toen hij de deur van het hutje opengooide.
Het was echter niet Imogeen. Het was Laura van Opstal, die met haar broek op haar schoenen op een bankje zat. Op de grond geknield, met zijn hoofd tussen haar benen, zat Sjef, de zo weinig gewaardeerde collega van Quint. Niemand wist precies wat hij of zij moest zeggen. Laura verbrak de passiviteit van het moment. Ze duwde Sjef hardhandig weg, trok haar broek aan en rende schreeuwend weg. Quint keek haar na en richtte zich vervolgens tot Sjef.
"Hoeveel?", vroeg hij, "Hoeveel betaal je ze?"
"Ik zweer je man", zei Sjef, "Ik heb het nooit met je dochter gedaan. Hey, dat moet je van me geloven!"
"Hoe weet ik niet of jíj Imogeen hebt laten verdwijnen? Chanteerde ze je? Zou ze soms alles aan Wendelien gaan zeggen? Hè?"
"Echt niet. Eerlijk waar man, ik zocht alleen wat afwisseling..."

Achteraf wist Quint niet eens precies waar het hem nu om te doen was geweest. De huwelijkse trouw, dat moest Sjef zelf maar uitzoeken. Nee, het was het idee; Het idee dat zijn gehate collega, de vreselijk irritante happy-go-lucky Sjef, het misschien wel met Imogeen had gedaan. Dat idee had Quint tot razernij gebracht. Bovendien waren de afgelopen dagen zó onsuccesvol en verwarrend geweest dat een zekere uitpuilende hoeveelheid agressie in Quint naar een uitlaatklep had gezocht. Toen hij zag hoe Sjef uit de hut strompelde vroeg Quint zich af of hij misschien te hard had geslagen. Ach welnee, dit had hij al die jaren al willen doen.
"Ik weet echt niet waar je dochter is! Echt niet!", had Sjef nog geschreeuwd.
Quint keek naar zijn rechterhand en zag hoe het bloed van zijn knokkels druppelde. Het was niet het bloed van Sjef maar zijn eigen bloed. Quint verliet de omkleedhut en vroeg zich af wat de volgende logische stap zou zijn.
Op zoek naar Laura? Die zit waarschijnlijk al lang en breed thuis.
Hierin vergiste Quint zich echter.

"Dus ik weet gewoon niet wat ik moet doen", zei Laura, "Hij kent mijn moeder, dus..."
Zoryq knikte.
"Ik begrijp het", zei hij.
Ze zaten samen aan de waterkant. Zoryq zag er op dat moment uit als een progressieve jongeman en dat was precies wat Laura nodig had. Een luisterend oor.
"Zeg Laura", zei Zoryq, "Als je toch met iedereen aanpapt, kunnen wij dan niet ook... hè? Jeweetwel..."
Hij schoof zijn hand onder haar truitje. Laura stond op en rende weg.
Pfff, dacht Zoryq, dan niet. Het was maar een suggestie.

Bogal kwam verdacht langzaam aanlopen.
"En?", vroeg Zoryq, "Wat zei The Man?"
"Niet veel goeds, Zor, helemaal niet veel goeds. Hij zei: Zoryq ligt eruit."
"Hoezo lig ik eruit?"
"Ja dat begreep ik ook niet helemaal, maar hij komt het je zometeen zelf uitleggen."
Zwijgend keken Zoryq en Bogal uit over het meer, in afwachting van het verschijnen van Sal.

Quint naderde de twee dienaren van Sal en vroeg:
"Heeft één van u misschien een meisje gezien? Ze rende net voorbij, jaar of zestien zeventien, tranen in haar ogen..."
"Ja, die zat hier zoëven nog, maar sex zat er niet in", zei Zoryq, "Althans niet meer voor vandaag, naar wat ik begreep."
"Pardon?", vroeg Quint.
"Aah!", zei Zoryq enthousiast, "U bent natuurlijk Quint Fedex, de vader van ons diner van afgelopen zaterdag! En u was van plan alles over de bijverdiensten van Laura te verraden aan haar moeder, met wie u nog geen week geleden lag te krikken. Zo zie je maar, het is een kleine planeet!"
"Wat zei u nou over diner? Zaterdag... mijn dochter? Iem?"
"Ze heette Iem? Wat is dat voor naam?", vroeg Zoryq.
"Imogeen", zei Bogal, "Maar toen pa en ma een paar jaar verder waren besloten ze het gezamenlijk product verder maar ‘Iem’ te noemen. Dat was korter. Bovendien merkte een lollige oom ooit op dat de naam Imogeen associaties met een medicijn opriep."
"Aha", zei Zoryq.
"Maar.. hoe weten jullie dat allemaal? En wat hebben jullie met mijn dochter gedaan!? In vredesnaam!"
"Wij weten alles. Dat is nou juist de pest", antwoordde Bogal, "en wat betreft je dochter: ze was heerlijk. Gewoonweg verrukkelijk."
"Exquis", beaamde Zoryq, "Ik denk nog met plezier terug aan die avond, hoe ik de vleesrestjes tussen mijn tanden wegpeuterde met een rietstengel."
"Kannibalen! Monsters!", schreeuwde Quint en hapte naar lucht.
"In strikte zin zijn we geen kannibalen...", begon Zoryq geduldig uit te leggen. Het had geen zin; Quint was bezweken aan een hart-infarct.

Zoryq en Bogal zagen hoe het rustig kabbelende water volstrekt stil ging liggen. Ook de wind ging liggen, de enkele vogel die ‘m niet naar het zuiden was gesmeerd hield zijn snavel, ja zelfs het constante geluid van auto’s verstomde. Uit het water verrees een gestalte, die Zoryq en Bogal onmiddellijk herkenden als Sal. Aan weerszijden werd Sal geflankeerd door zijn honden, die de stilte doorbraken en grommend begonnen te vreten aan het lijk van Quint.
"Jongens toch!", zei Sal, doelend op zijn honden, die echter niet reageerden en smulden van het nog warme vlees van Quint.
"Hey Sal! Gaat ’ie een beetje?", vroeg Zoryq.
Sal ging voor Zoryq en Bogal staan en keek op hen neer.
"Precies wat ik vreesde", antwoordde hij, "Geen respect meer. Jullie hebben je te lang onder de mens begeven. Ik had nog zo gezegd dat deze opdracht voorrang had boven alles en dat er geen tijd was voor getreuzel, en nou hoor ik van Bogal dat jullie er een puinhoop van hebben gemaakt! Verklaring?"
Het bleef pijnlijk stil. Zoryq en Bogal hadden van de gelegenheid gebruik gemaakt in twee jonge meisjes te veranderen. Heel misschien dat Sal dan wat minder kwaad tegen hun zou doen. Sal zuchtte en keek naar zijn honden, die de beenderen van Quint aan het blootleggen waren.
"En wat is hier de bedoeling van? Moet ik hier soms als een schoolmeester tegen twee pubers gaan staan schreeuwen?"
De twee ‘meisjes’ keken elkaar beteuterd aan.
"Het was toch niet zo’n moeilijke opdracht?", vroeg Sal.
"Dat kun je nou wel zeggen, Sal, maar het was al met al best wel een beetje onmogelijk. Echt on-mo-ge-lijk man!"
"Onzin", zei Sal, "Ik had nog zo gezegd: Als die verdomde boekjes al teveel verspreid zijn laat je voor mijn part een heel continent onderlopen."
"Heb ik overwogen...", zei Zoryq.
Bogal keek verbaasd naar Zoryq, die verder ging:
"... maar dat zou toch al te belachelijk zijn. We hebben het desbetreffende boek aandachtig doorgelezen en kwamen tot de conclusie dat je de zaak toch wat, ja, te símpel hebt voorgesteld. Julius is een roepende in de woestijn en de woestijn stroomt langzaam vol met belangstellenden... en"
"Ach rot toch op met die die die klote-metaforen!", schreeuwde Sal, "Dat je de zaak verpest, alla, daar zouden we met een mooie strafmaatregel wel overheenkomen. Maar dat je aan de juistheid van mijn oordeel durft te twijfelen, dat gaat toch echt te ver. Dat kan ik niet door de vingers zien."
"Is dat dreigen, wat jij doet?", vroeg Bogal om ook maar eens wat te zeggen.
"Nee, dat is geen dreigen, dat is een aankondiging: Jullie hoeven niet meer terug te komen. Ajuus!"
Sal verdween met een knal, direct gevolgd door de twee honden, die een seconde na hem met een knal verdwenen.
"Ik voel een vreemde sensatie!", zei Bogal.
"Tell me about it... Sal heeft ons versterfelijkt! We zijn mensen. Meisjes zelfs. We groeien, en, en, we gaan later dood!"
Zoryq en Bogal keken elkaar verslagen aan. In het immortal galaxy van Sal was het regel dat ongehoorzamen werden gestraft met mortaliteit. Maar Zoryq en Bogal hadden het slechter kunnen treffen;
Ze waren jong, intelligent, vrouw èn mooi, maar niet té mooi.
"Heb jij eierstokken?", vroeg Bogal opeens, "Ik niet, geloof ik"
"Wat moet ik met eierstokken?", antwoordde Zoryq, "Je gaat in deze wereld toch zeker geen kind neerzetten? Dat is op zijn minst een rotstreek. Ik zou niet weten wat ik moest antwoorden als mijn kind mij zou vragen ‘mam, waarom ben ik er eigenlijk?’."
De twee meisjes lagen naast elkaar in het zand en gooiden met zand naar elkaar. Bogal rolde tegen het skelet van wat ooit Quint was aan en trok de schedel los. Ze bewoog de onderkaak van het skelet en zei met een zielige krakerige stem:
"Kannibalen! Monsters!"
Zoryq moest hier zo uitbundig om lachen, dat de tranen over haar gezicht rolden.

?

Laatste hoofdstuk