"Imagination. A warehouse of facts, with poet and liar in joint ownership."
- Ambrose Bierce (The devil’s dictionary)
Zoryq zat aan de kant van het water te peinzen. Om zijn hoofd te kunnen ondersteunen en tegelijkertijd met een grasspriet te blijven ouwehoeren had hij tijdelijk een derde arm aangegroeid. De zon was al een paar uur onder de horizon verdwenen en een lichte nevel kon niet verhinderen dat een paar heldere sterren zichtbaar waren. Bogal was met zijn nagels een tak aan het slijpen. Het was een jonge tak, die inmiddels een vlijmscherpe punt rijker was. Bogal testte de scherpte door de tak in zijn been te steken.
"Wat zullen we vanavond eten?", vroeg hij.
"Je beseft je...", zei Zoryq, "dat we helemaal niet hoeven te eten? Dat we in deze gedaante hier rondlopen, zo met een maag-darm-kanaal, is onze vrije keuze. We kunnen ook verder gaan als een oude krant en een kersenpit. Liften we mee met de wind, komen we er ook wel."
"Maar ik heb honger!"
"Onzin. Eten is een plezierige sensatie, meer niet."
Bogal liet zijn maag een borrelend geluid maken en zei: "Hoor maar! Ik heb echt honger! Laten we een konijn gaan vangen ofzo"
"Als we dan al moeten eten, laten we dan iets lekkers gaan eten. Zo’n aftands stadskonijn, bah! Als het stomme beest al geen myxomatose heeft is het wel ondervoed of op zijn minst taai. Hier verderop staat een koe te grazen. Laten we die te grazen nemen."
"Perfect!", zei Bogal, "Een koe. Ik prik hem aan mijn stok!"
"Een koe is altijd een ‘haar’, Bogal. Je prikt háár aan je stok. Als het een ‘hem’ zou zijn, zou het een stier zijn. En een stier is vies, dat weet je. Zit vol mannelijke hormonen. Zeg mij na: stieren zijn vies."
"Stieren zijn vies."
"Jonge meisjes zijn echter bijzonder smakelijk", vulde Zoryq op samenzweerderige toon aan.
"Pardon? Moet ik dat ook herhalen? Jonge meisjes zijn.."
Zoryq stompte Bogal met zijn tijdelijke derde arm hard in zijn maag, waardoor Bogal zijn zin niet kon afmaken. Niet ver van hun verwijderd liep een meisje één van de houten omkleedhuisjes binnen.
"Sst!", zei Zoryq tegen Bogal, die niets zei, "En doe gewoon! Word maar een... een stomme hond en hou verder je klep! En niet blaffen of grommen!"
Bogal begon ‘m door te krijgen: het werd vanavond geen koe maar mens. Ver in het verleden hadden ze al wel eens een mens gegeten, maar het persoon in kwestie was oud en taai geweest. Dit meisje zag er echter bijzonder jong en fris uit. Inmiddels naderden Zoryq en Bogal het omkleedhuisje en hielden stil. Het meisje kwam naar buiten en keek het tweetal aan.
"Op zoek naar iets?", vroeg Zoryq, die voor de gelegenheid weer twee armen had. Bogal, die zichzelf in een tekkel had veranderd, liep braaf aan de zijde van Zoryq en kefte een keer. Zoryq, die met ‘hond’ niet direct aan een tekkel had gedacht, keek geërgerd naar Bogal, de tekkel.
"Ik zoek mijn horloge", zei het meisje, "Het moet hier binnen liggen... ik weet het zeker... maar er is zo fucking weinig licht! Ik móet het terugvinden, was een cadeau van m’n moeder enzo en..."
Het meisje voelde zich in het geheel niet bedreigd door Zoryq, die de indruk wekte een aardige huisvader te zijn, die nog even met zijn tekkel aan het wandelen was bij het meer. De trouwring, die Zoryq zichzelf had aangemeten, maakte het plaatje compleet.
"Zullen wij dit aardige meisje dan maar even helpen zoeken, Bogal?", zei ‘de aardige huisvader’ tegen zijn ‘tekkel’ en haalde een zaklantaren tevoorschijn. Hij knipte het ding aan en scheen bij het omkleedhuisje naar binnen. Het meisje keek nu toch enigszins verontrust naar het tweetal. Maar goed, als die man een zaklantaren bij zich had ging ze niet moeilijk zitten doen. Zoryq mompelde een spreuk en draaide een keer met zijn hand in de lucht. Het meisje had van dit alles geen notie gekregen, omdat haar blik op de vloer van het hutje was gericht. Waar had ze het ding vanmiddag uitgedaan?
"Kijk, daar ligt je horloge!", zei Zoryq triomfantelijk. Hij wees op een glimmend voorwerp dat onder één van de houten bankjes lag. Het meisje sprong verrukt op en liep op het horloge af. Ze bukte en stak haar hand uit. Dit was dan wel een horloge, maar het was veel mooier dan dat van haar. Ze probeerde het horloge op te pakken, maar het leek haast wel onderdeel uit te maken van de vloer.
"Wat is dit?", zei ze, trekkend aan het horloge wat echter niet van plan leek te zijn van plaats te veranderen.
Wat het meisje niet door had, was dat de ‘tekkel’ in een tijdsbestek van nog geen seconde tot bovennatuurlijke proporties was gegroeid. De ‘tekkel’ trippelde het omkleedhuisje binnen en onthoofde het nietsvermoedende meisje met één krakende hap. Ze had niet eens de tijd gehad om te gillen. Met een vies geluid spuwde hij het hoofd vervolgens uit, veranderde weer in de oude Bogal en zei:
"Ik val om van de honger!"
Van het horloge was geen spoor meer te bekennen.
"De bovenbenen en billetjes zijn het lekkerst!", zei Zoryq watertandend, "Maak jij maar een vuurtje, doe ik de rest."
Bogal veroorzaakte een vuur, waar veel kampeerders jaloers op zouden zijn geweest. Ze roosterden de eerdergenoemde onderdelen van het meisje en bestrooiden die met een indrukwekkende verscheidenheid aan kruiden en specerijen.
"Groeiden hier toevallig vlakbij", beweerde Zoryq.
Bogal, die de smaak duidelijk te pakken had, geloofde hier niets van.
Kluivend aan een femur zei Zoryq:
"We hebben vandaag geen barst gedaan, Bogal. Laten we die verrekte Thyssen vannacht opsporen, uithoren en om zeep helpen. Sal moet trots op ons kunnen zijn."
Bogal was er stil van. Hij vond dat Sal, hun baas, erg uit de hoogte deed terwijl daar maar weinig reden toe was. Sal liet zijn onderdanen al het veldwerk op aarde verrichten en zat zelf maar wat te niksen. En als één van de onderdanen dan met een schokkend rapport kwam, was Sal een virtuoos in het ontwijken van moeilijke vragen. Alles verliep volgens plan. Yeah right.
"We hebben de eeuwigheid aan onze kant...", antwoordde Bogal, "en almachtigheid op afroep beschikbaar. Ik zie niet in waarom we de zaken niet met plezier kunnen vermengen."
"Mm", mompelde Zoryq, "verdomd als het niet waar is, je hebt nog gelijk ook! Wíj moeten per slot van rekening al het werk doen. Maar we gaan wel morgen nog bij Thyssen op visite. Of nee, maandag is beter. Dat is hier op aarde zo’n typische rot-dag waarop iedereen ‘s avonds toch maar wat thuis zit. Ik wil het smoel wel eens zien van de gast die dat boek geschreven heeft. Wacht maar tot mijn boek uitkomt, pfah! Wacht maar tot ’ie bezoek krijgt. Van ons!"
"Olé!", antwoordde Bogal, die Zoryq maar ten dele serieus nam. Zoryq liet zich snel meeslepen door zijn emoties. Bogal zag niet in, waarom je je zó door je gevoel moest laten leiden als je een eeuwigheid de tijd had. Ja goed, er heerste nu een nare stemming bij Sal en de zijnen, omdat één of andere lolbroek op aarde een boek had geschreven ‘waar het allemaal doodleuk in stond’. Hoe dat ooit mogelijk was geweest. Sal had er zoals altijd geen antwoord op.
"We hebben z’n adres", zei Zoryq, "maar het is werkelijk een totale ramp om een huis op te sporen in deze omgeving. Kromme straten, onduidelijke namen, inconsequente nummering, noem maar op! De uniformiteit van... van... van een..."
"...pinda?", probeerde Bogal.
Zoryq keek Bogal enige tijd aan. Een pinda. Nee echt een heel erg duidelijke metafoor. Een pinda! Tot Zoryq’s verbijstering was Bogal tijdelijk in een enorme pinda veranderd. Dat te pas en te onpas gebruik maken van magie was bad news. Aandachttrekkerij. Bogal had in zijn jeugd vrijwel geen aandacht gehad.
"Laten we één ding goed afspreken, jeweetwel, effe goed vantevoren besproken hebben, ja?"
"Oké!", zei de pinda met een opening die de titel ‘mond’ niet waardig was.
"Thyssen weet waarschijnlijk wel waar de copieën van de boekjes naartoe zijn gegaan. Anders kan ’ie dat nog wel voor ons uitvinden."
"Yeah so?", zei de pinda.
"Wel, dus deh.. geen geouwehoer! We moeten daar onder valse voorwendselen binnendringen. Als we met magie gaan zitten zwaaien, zal het voor Thyssen duidelijk zijn dat we niets goeds in de zin hebben."
"Yeah so?", herhaalde de pinda.
"Geen magie dus. Begrepe? Geen magie! Hou je in. We zijn eh... bezig met een onderzoek ofzo. Geïnteresseerden die de schrijver willen interviewen. Ik verzin wel wat. Just let ME do the talking. Doe waar je goed in bent, volg mij in alles en dan zijn we zo klaar met deze.. deze.."
".. rot-opdracht?", zei de pinda, "dat wou je toch zeggen? Het is een rot-opdracht. Ik ga nog liever Maria-verschijningen in scène zetten of nietsvermoedende simpele zielen vanaf hun geboorte belasten met paranormale gaven. Ik bedoel: boeken opruimen... wat een grap."
"Grap of geen grap, Sal rekent op ons. Thyssen geeft ons de naam van de uitgever en elke uitgever heeft een administratie. Simpel."
Bogal zei niets en veranderde van een pinda weer terug in de op een mens gelijkende Bogal.
"En hou op met die onzin", zei Zoryq, doelende op de gedaanteverwisselingen waar Bogal nogal op gesteld was.
Bogal lag op zijn rug en keek naar de sterrenhemel. Mars stond in het sterrenbeeld Leeuw, vlakbij de heldere ster Regulus.
"En dan te bedenken", zei Bogal met zijn blik naar de rode planeet, "dat wat ze hier ‘Mars’ noemen de werktitel ‘immortal galaxy control stack 79’ had. ‘Mars’, dat klinkt meer als een ellendige soort muziek of iets wat je nog niet eens aan de hond geeft..."
Ze waren stil en luisterden naar de geluiden van de nacht. In de verte hoorden ze een hond blaffen en zijn baasje fluiten.
"Ik haat die beesten" verbrak Zoryq de stilte "altijd maar blaffen, waar is die herrie goed voor? En waarom moet uitgerekend Sal daar nou van houden?"
Bogal was stil. De totale stilte trad in, er was geen geritsel meer, niets.
"Verhaal!", zei Bogal opeens, om de stilte te verbreken.
Zoryq keek op naar Bogal en er verscheen een glimlach op zijn gezicht. Toen ging hij weer liggen en keek recht omhoog, waar op dat moment de ster Capella de meest opvallende lichtbron was.
"Ik weet een heel mooi verhaal", zei Zoryq, "het gaat over een man met twee dochters. Of eigenlijk gaat het over twee meisjes, die één vader hebben."
Bogal ging nog eens na wat Zoryq had gezegd. Was dat niet twee keer hetzelfde?
"Het speelt ergens ver in het verleden, toen de mensen het nog niet zo nauw namen met het tellen van jaren, in een ver ver land, niet eens zo ver van deze plek verwijderd. Hoor toe..."
Het verhaal dat Zoryq aan Bogal vertelde:
Er waren eens twee meisjes, Lotti en Dotti. Lotti was twee jaar ouder dan Dotti en beide meisjes waren nog geen twintig lentes jong. Lotti en Dotti sliepen op één kamer in hun ouderlijk huis. Hun vader, Coltrain, had geen vaste betrekking en het was hun daarom ook niet geheel duidelijk hoe hij aan geld kwam.
Op een goede avond lagen Lotti en Dotti te slapen. Dat wil zeggen, Lotti was zojuist wakker geworden uit een vreselijke droom, waarin zij voor het eerst sex zou gaan hebben met haar aanstaande echtgenoot. Juist op het moment dat de aanstaande echtgenoot de deur achter zich dicht gooide, werd Lotti wakker van een geluid. Het was de voordeur van hun huis, en het was hun vader die weer eens de stad in ging op dit onheilige uur.
"Dotti!", fluisterschreeuwde Lotti.
"Bwwwuh?", zei Dotti, die over schaakbordpatronen en steeds van vorm veranderende kleurwatervallen had gedroomd.
"Word wakker! Pa is weer op stap!"
"Hij zal wel weer naar de kroeg gaan", antwoordde Dotti, die nog altijd schaakbordpatronen voor zich zag, "mopperen dat hij twee dochters heeft en geen zoons!".
Ja, meer dan eens had Coltrain te kennen gegeven, dat hij graag een grote sterke zoon zou hebben gehad.
De meisjes zeiden een tijd lang niets. Dotti kon de slaap niet meer vatten en Lotti was zoals dat heet klaarwakker. De reden dat Lotti zo’n ophef maakte over het nachtelijk uitstapje van hun vader, was omdat zij en Dotti vaker dan eens het vermoeden hadden gehad dat vader moeder bedroog met een ander.
Lotti en Dotti sliepen in één groot bed en hadden er een goede gewoonte van gemaakt elkaar aan te raken en te strelen. Het kwam zelfs geregeld voor dat Dotti en Lotti geheel in elkaar verstrengeld wakker werden. Ook nu kroop Dotti dicht tegen Lotti aan, en omarmden zij elkaar. Dotti schoof een hand tussen de warme benen van haar zusje.
"Laten we vader gaan achtervolgen!", zei Lotti, die duidelijk de meest avontuurlijke van de twee meisjes was.
"Maar hij is allang weg!", zei Dotti, die absoluut geen zin had de warme rust en geborgenheid van het moment te verstoren. Om dit alles nog wat te benadrukken schoof zij nu ook een been tussen de benen van haar oudere zus, die dit in het verleden nooit onprettig had gevonden.
"We gaan!", zei Lotti, "Hoe ver kan ’ie komen in dit miezerige stadje? Soms heb ik het idee dat hier maar twintig, nee, maar tien mensen wonen! En het zijn allemaal sukkels. Wat moet vader met hun in een kroeg? Gaat hij naar een bordeel? Maar we hebben geen bordeel in dit... dit gehucht! Nee komop, we gaan!"
Lotti veerde op uit bed, daarbij Dotti ruw uit de weg duwend. Dotti, die in alles volgzaam was, volgde ook nu het voorbeeld van haar zus.
De meisjes, gekleed in hun nachtgewaad, klommen uit het raam van hun kamer. Het lot had gewild dat er een stevige boom met dikke takken direct naast hun slaapkamer aanwezig was. Naar beneden gaan met de trap zou hun moeder wakker maken. Terwijl moeder er kennelijk geen probleem mee had dat vader zo nu en dan ‘s nachts op pad ging, zou zij het beslist afkeuren wanneer zij zou weten dat ook haar twee dochters niet braaf lagen te slapen. Nee, zoals gezegd zei moeder niet veel. Maar als zij sprak, was het meestal commentaar; "Eet je bord leeg!", "Kijk niet zo ondeugend!", "Handen boven de deken", "Doe je bovenste knoop dicht" of "Zo gaan jullie niet de straat op!".
Lotti hielp Dotti uit de boom en de meisjes gingen op weg.
Het was een benauwende zomernacht, maar gelukkig waaide het wat. Hun ouderlijk huis was gelegen aan de rand van de stad, binnen de stadsmuren. Buiten de stadsmuren waren slechts enkele velden en akkers, waar boeren maïs verbouwden. Er deden allemaal vreselijk verhalen de ronde over de boeren, die de liefde zouden bedrijven met dieren en wat niet meer. Lotti en Dotti waren nooit meer buiten de stadsmuren geweest, sinds zij in de stad gearriveerd waren. Hun vader, die nergens een vaste betrekking had, trok van stad naar stad. Overal bleven zij slechts een paar jaar. Dit had er mede voor gezorgd dat Lotti en Dotti nooit veel vrienden hadden gehad en alle problemen met elkaar hadden moeten oplossen.
"Wat nou als vader buiten de stad is?", vroeg Dotti.
"Dan gaan wij ook buiten de stad", zei Lotti.
De meisjes bereikten de grote weg, die gebruikt werd om waren naar de stad te brengen en andere waren naar nabijgelegen steden te brengen. De weg in kwestie heette de El Camino Bignum, en liep rechtstreeks van de stadspoort naar het marktplein in het centrum van de stad. Lotti en Dotti stonden aarzelend op de El Camino Bignum, zich afvragend waar vader naartoe was gegaan. Linksaf, naar de stadspoort en misschien dus wel naar de velden en de akkers, of rechtsaf, naar de stad. De stad had een kroeg, die tot diep in de nacht open was, en het was niet geheel uitgesloten dat vader zich had laten verleiden door de drankduivel. De meisjes werden echter sterk aangetrokken tot de stadspoort, vanwege de spannende verhalen en de mysterieuze verschijningen, die geregeld werden waargenomen. Ja, van tijd tot tijd kwam een verkoper geheel overstuur van een reis terug, omdat hij dingen uit de lucht had zien vallen. Menig verkoper was uiteindelijk in het gesticht beland.
"We laten het van het lot afhangen.", zei Lotti, "Heb jíj misschien een munt bij je?"
Helaas, ook Dotti had niet de gewoonte geld in haar nachtgewaad te dragen.
"Dan nemen we een tak!".
Lotti keek om zich heen en zag al gauw een takje aan de rand van de El Camino Bignum liggen. Ze pakte het takje op en brak er een top af. Hierdoor had het takje een duidelijke witte top gekregen, daar waar Lotti de top verwijderd had.
"Het witte uiteinde wijst aan welke kant we opgaan", sprak Lotti plechtig, "... en jij mag gooien!".
Dotti pakte het takje van haar zus aan. Ze keken een moment in elkaars ogen en toen gooide Dotti het takje draaiend richting het midden van de weg. De meisjes holden naar het takje en bukten eromheen. Het takje lag bijna exact dwars op de weg, waardoor het moeilijk was uit te maken in welke richting de witte top wees. Lotti hakte de knoop door:
"Yep, hij ligt richting de stadspoort. Bekeken zaak."
De meisjes lieten het takje voor wat het was en liepen richting de stadspoort. Nog geen tien meter verwijderd van de stadspoort zagen zij een figuur op een steen zitten met een lantaren. Het was Coltrain, hun vader.
"Sssjjt!", siste Lotti tegen Dotti, "het is papa!"
De twee meisjes verborgen zich achter een klein gebouwtje dat overdag dienst deed als huisje van de poortwachter. Mede vanwege de maanloze nacht was het voor Coltrain onmogelijk zijn dochters te zien. Dotti keek haar oudere zus vragend aan. Lotti haalde haar schouders op.
"Het lijkt wel of hij op iemand wacht...", fluisterde ze.
Het was lange tijd stil. De meisjes zaten gehurkt achter het poortwachtershuisje en hun vader zat bewegingloos op een steen, met zijn gezicht steeds van de stad af, richting de akkers en de velden. In de verte klonk het typerende geroep van een uil. Behalve het zachte ruisen van de wind, die door bladeren blies, bleef het stil.
"Lotti", fluisterde Dotti, "er is nóg iemand hier!".
Lotti keek angstig om zich heen. En inderdaad, niet ver van hun vandaan stond een jongen van tussen de twintig en dertig jaar te kijken naar het vreemde tafereel. Het was niet duidelijk of hij Lotti en Dotti kon zien. Zijn aandacht was uitsluitend gericht op Coltrain, die als een zak zout op zijn plaats bleef.
Plotseling klonk er een licht zoemend geluid dat de gehele atmosfeer vulde en van alle kanten leek te komen. Dotti en Lotti keken elkaar verbaasd aan. Vergeet niet dat dit verhaal speelt in een tijd, waarin men nog niet beschikte over de luxe van electriciteit. Tegenwoordig zou een licht zoemend geluid ons bekend in de oren klinken. Voor Lotti, Dotti en de ‘Peeping Tom’ van tussen de twintig en dertig was het een volstrekt unieke ervaring. Veel tijd om het gezoem te beschouwen kregen ze echter niet. Uit de duisternis buiten de stad kwamen twee wezens aanvliegen, beiden gehuld in een blauw schijnsel. Coltrain keek er niet van op. Was dit waar hij op had gewacht? Hij zette de lantaren op de grond en ging met gebogen hoofd voor de twee wezens staan. Lotti en Dotti waren er van overtuigd dat beide wezens mannelijk van geslacht waren. Coltrain sprak luid en duidelijk: "Heren, blijf niet langer ronddolen in dit godvergeten oord en ga met mij mee naar huis. Ik zal voor u koken en brood bakken en u zult bij mij thuis kunnen rusten. Daarna kunt u, nog voor dat de zon in het oosten weer opkomt en de haan gaat kraaien, vertrekken naar uw heilige verblijfplaats. Maar ik smeek u, heren, gaat niet in de stad!"
"Luister eens vriend", sprak één van de wezens, "Wij zijn hier niet gekomen om een beetje te luieren. Wij hebben opdracht deze stad te onderzoeken. De sfeer schijnt hier nogal bedorven te zijn."
"En dan laten wij ons nog voorzichtig uit", vulde het andere wezen aan.
"Maar ga dan met mij mee, en ik zal u alles vertellen over deze stad. We zijn het waarschijnlijk roerend eens!", smeekte Coltrain.
Lotti en Dotti kenden hun vader niet als zodanig, in een smekende rol. Hij was voor hun altijd diegene geweest die de lakens uitdeelde, die bepaalde welke koers er gevaren werd.
"Mmm, wat zeg jij?", zei het ene wezen tegen het andere, "Een hapje eten gaat er wel in en we hebben alle tijd, nietwaar?"
Het andere wezen knikte instemmend.
Coltrain vertrok met de twee wezens naar zijn huis, het huis waar ook Lotti en Dotti woonden.
De niet nader gedefiniëerde ‘Peeping Tom’ zette het vervolgens op een lopen richting de stad en Lotti en Dotti bleven alleen achter.
"Wat... wat zijn dat, die blauwe mannen?", vroeg Dotti.
Ze had de schrik goed te pakken.
"Weet ik veel", zei Lotti, "Maar pa schijnt ze te kennen. Laten we maar eens kijken wat er thuis zoal gaat gebeuren".
Lotti en Dotti stonden op en volgden het spoor van hun vader, die inmiddels gearmd tussen de twee blauwe wezens thuis arriveerde. Lotti en Dotti naderden voorzichtig het ouderlijk huis en keken van een afstand naar binnen. Coltrain was druk bezig zijn twee gasten te vermaken.
"Mijn brood!", riep Dotti uit, toen ze haar vader de kamer binnen zag lopen met het de vorige dag door haar zo kundig vervaardigde brood. Het was een brood van gevlochten deeg, bestreken met de dooier van een kwartel-ei, waardoor het een fantastische bruine glans had gekregen.
"Mijn heer, u bent te goed voor ons!", hoorden de meisjes zeggen door één van de blauwe wezens.
De wezens zaten met de benen uitgestrekt op de zachte zakken, die Coltrain had gemaakt van eendedons en hennepdoek. De twee gasten aten hoorbaar zonder tafelmanieren, en Lotti vroeg zich af of ze soms geen goede opvoeding hadden gehad. Hun moeder zei immers altijd "Eten met je mond dicht!", als Dotti of zij zaten te smakken. En nu zaten twee onbekenden bij hun in de woonkamer luidruchtig te smakken! Van het brood dat Dotti gebakken had! Waar was moeder om er een opmerking over te maken? Lotti begreep niet dat moeder hier doorheen sliep. Bij het minste of geringste zat moeder rechtop in bed. Als Lotti en Dotti in bed lagen en praatten en grappen maakten, kwam hun moeder geregeld de kamer binnenstormen. "En nu is het uit met dat gescharrel!", schreeuwde ze dan. En als hun handen niet boven de dekens lagen (wat meestal het geval was, omdat ze elkaar vasthielden) schreeuwde moeder er nog achteraan; "En hou jullie handen boven de dekens!!!". Nog geen seconde nadat moeder hun kamer had verlaten, verdwenen hun handen weer onder de dekens. Lotti had Dotti geleerd hoe lekker het was, als je als meisje tussen je benen geaaid werd. Lotti en Dotti konden soms uren wakker liggen, waarbij ze elkaar dan gelijktijdig streelden en meestal snikkend tot een hoogtepunt kwamen. Dan stopten ze met strelen en vielen in elkaars armen in slaap. Nu echter zaten ze buiten in een struik verstopt. En zo zagen ze dat hun vader zich begon uit te kleden en de twee blauwe mannen (of waren het wel mannen?) geïnteresseerd toekeken. Wat Lotti en Dotti echter niet hadden opgemerkt was dat er inmiddels een drom mannen en jongens bij het huis was aangekomen. Het leek er op, alsof alle mannelijke inwoners van een jaar of zestien en ouder zich bij het huis van Coltrain hadden verzameld. Wederom was Dotti de eerste die de menigte zag.
"Lotti!", fluisterschreeuwde ze in het oor van haar zus.
Lotti viel bijna om van schrik, want hier was ze niet verdacht op geweest. Ze was helemaal vertrokken in een fantasie, waarbij ze met haar zusje in bed lag en ze elkaar tussen de benen kusten.
"Wat is er?", vroeg Lotti.
Dotti porde met haar arm in de zij van haar zusje en wees naar de menigte. De twee meisjes keken geheel verbouwereerd naar de drom mannen en jongens. Inmiddels begonnen stemmen zich te verheffen en zwiepten lantarens heen en weer. De mannen uit de stad waren kennelijk niet hier om een feestje te bouwen. Lotti sloeg haar arm om Dotti en de twee meisjes doken nog verder weg in de struik. Door de takken heen konden ze zien, hoe de mannen op de voordeur van hun huis begonnen te bonken. Binnen in het huis schrok Coltrain op en stonden de blauwe wezens op van uit de donzige zakken waar zij met Coltrain gelegen hadden. Coltrain deed snel een kledingstuk aan en liep naar de voordeur. Hij opende de bovenste helft van de deur en stond oog in oog met de aanvoerders van de woedende massa mensen. Lotti en Dotti hoorden niet precies wat er gezegd werd, omdat er door elkaar heen gescholden werd. Coltrain kreeg een klap in zijn gezicht en viel achterover. Dit gaf de aanvoerders van de menigte de mogelijkheid de deur in zijn geheel open te maken. De menigte stroomde naar binnen.
"Neem mijn dochters!", schreeuwde Coltrain, "maar laat ons met rust. Mijn dochters zijn wat jullie zoeken, ze zijn jonge en aantrekkelijke maagden! Deze mannen hebben niets misdaan en ik heb ze rust en onderdak bezorgd. Laat mij mijn belofte niet gebroken zien worden!". Lotti en Dotti trokken bleek weg. Was dit hun vader? Deze laffe zwakke man, die zijn bloedeigen dochters in de verkoop gooide? De menigte was niet tevreden. Ze hadden naar het scheen geen enkele interesse in de dochters van Coltrain. In plaats daarvan begonnen zij met dikke stokken in te slaan op Coltrain en zijn blauwe gasten. Lotti zag zelfs dat de man met wie zij zou moeten trouwen met een houten staaf afwisselend op haar vader en op de twee wezens aan het timmeren was. Ondanks hun astrale voorkomen bleken de twee wezens de klappen wel te voelen. Bont en blauw werden ze geslagen, samen met Coltrain. En nog steeds geen spoor van moeder. Toen er geen beweging meer was te bespeuren aan de kant van de wezens en Coltrain, verlieten de mannen uit de stad het huis.
Lotti en Dotti wachtten enige minuten, bevend van angst. Toen raapten zij de moed bijeen en liepen naar het huis. De voordeur stond nog open en slingerde piepend in de wind. Binnen lagen de twee blauwe wezens met wonden in hun gezichten. Coltrain begon net weer bij bewustzijn te komen. Kreunend werd hij wakker, terwijl er bloed uit een hoofdwond droop. Ook zijn armen en benen waren bedekt met wonden.
"Ga onmiddellijk naar jullie kamer!", zei Coltrain, die vanaf zijn positie op de grond omhoog keek naar zijn twee ongeschonden dochters.
Lotti en Dotti bleven echter staan, niet wetend of ze die man daar op de vloer, hun vader, nog wel serieus konden nemen.
"Zij zijn niet van hier...", kreunde Coltrain wijzend op de twee blauwe wezens. Nee, dat zij ‘niet van hier’ waren hadden Lotti en Dotti vanaf het begin begrepen. De meisjes keken naar de twee blauwe wezens. Het zoemende geluid kwam weer terug. Coltrain keek nu ook naar de twee wezens, die oplichtten in een intens blauw licht. Het verblindde de ogen van Coltrain en de meisjes, zodat zij de handen voor hun ogen sloegen. Het licht verminderde weer en het zoemende geluid verstomde. De twee wezens waren in één klap genezen van al hun wonden en stonden rechtop in de kamer. Een wonder! Lotti keek naar Dotti, en Dotti keek naar de wezens, die geen contact meer hadden met de vloer.
"Het was niet uw schuld, heer", zei één van de wezens, "dus wij zullen u en uw familie met rust laten. Vertrek nu, voor het te laat is. Want wij zullen deze stad met de grond gelijkmaken."
"Platbranden, zoniet in as leggen", vulde het andere wezen aan.
"Maar hier woon ik", zei Coltrain, "Hier heb ik mijn huis gebouwd en mijn spullen verzameld. Ik kan niet alles achterlaten en wegrennen. Geef me dan tenminste een dag om de spullen in te pakken!"
"Ga nu, of u en uw gezin zullen sterven als wij deze stad in as leggen. Wij pikken veel, maar geslagen worden door een horde aardlingen gaat toch echt te ver, hoor. Deze stad heeft echt een onwerkelijk gebrek aan goede sfeer. Maar nogmaals, het is niet uw schuld. Verlaat de stad, nee, verlaat de vallei en trek in de bergen, want wij zullen de hele vallei veranderen in een hoop as. Het oppervlak van Mercurius zal er nog vrolijk uitzien in vergelijking tot deze plaats, als wij hier klaar zijn."
Coltrain, die de ernst van de zaak begon door te krijgen, aarzelde niet langer en begon wat spullen in te pakken.
"Roep jullie moeder", commandeerde hij naar Lotti en Dotti.
De twee meisjes renden de trap op en stonden bovenaan de trap oog in oog met hun moeder.
"Ga onmiddellijk naar jullie kamer!", schreeuwde moeder, "Wat denken jullie wel. Midden in de nacht de trap opstormen... waar komen jullie in godesnaam vandaan eigenlijk?"
"We vertrekken weer", zei Lotti kort en op zakelijke toon tegen haar moeder. De twee meisjes vertrokken vervolgens naar hun kamer. Dotti had tranen in haar ogen.
"Wat is hier in godesnaam aan de hand?", hoorden de meisjes schreeuwen. Het was moeder, die een verklaring eiste van Coltrain. Coltrain mompelde wat, maar de meisjes hoorden niet wat.
"Stil maar", zei Lotti en sloeg haar arm om Dotti.
Nog vóór het kraaien van de haan verliet het viertal het huis. Coltrain keek nog eens naar het huis. Het was een mooi stevig huis geweest, maar de woonkamer zag er niet meer uit. Het dons uit de ligzakken lag verspreid door de hele kamer, en was ook buiten het huis te bespeuren. Coltrain slikte een keer en strompelde vervolgens achter zijn vrouw en dochters aan. Ze hadden zoveel mogelijk spullen meegenomen in reiszakken. Coltrain was al een tijd van plan geweest een ezel te kopen, maar had daar nog niet genoeg geld voor bijeen geschraapt. Nu moesten ze alles zelf dragen. En hij was nog wel zo verwond! Elke stap deed Coltrain pijn. Kermend en jammerend liep hij achter de drie vrouwen aan richting de stadspoort. Bij de El Camino Bignum sloeg het viertal linksaf en vervolgde de weg naar de stadspoort. Net buiten de stad hingen de twee blauwe wezens ongeveer een meter boven de weg.
"Ga nu en ren, kijk niet achterom want dat zal jullie berouwen. Ren naar de bergen en naar een andere stad, waar de sfeer misschien wat beter is. Ga!".
Coltrain keek zijn vrouw en dochters droevig aan. Zo snel als zij konden snelde het viertal richting de bergen, die nog een heel eind voor hun lagen.
"Wat heb je dan ook gedaan, gek!", zei de vrouw van Coltrain tegen haar man.
Coltrain deed er het zwijgen toe. De twee meisjes liepen voorop. Achter hun hoorden zij gedonder en geraas. De wezens waren kennelijk begonnen aan het platbranden van de vallei.
"Vandalisten!", zei Dotti tegen Lotti.
De scherpe geur van brandend zwavel bereikte de neuzen van Coltrain en zijn familie.
Laten ze in godsnaam niet achterom kijken, dacht Coltrain. Alles wat die twee wezens tot nu toe hebben gezegd is uitgekomen.
De vrouw van Coltrain had echter weinig geloof gehecht aan de dreigende woorden van de twee blauwe wezens. Wat kon er nou fout zijn aan het achterom kijken? Het laatste wat zij zag, was een groot vuur op de plaats waar eens hun stad was geweest. Boven het vuur hing een donkerbruine wolk. Er klonk een luid gegil uit de stad, waar iedereen op de vroege ochtend door de brand verrast was. Toen de vrouw van Coltrain haar hoofd weer terug wou draaien veranderde zij in een zoutpilaar. Ze had niet eens meer de tijd om zich te beseffen dat sommige vloeken nu eenmaal op waarheid berusten.
Coltrain had nooit erg veel van zijn vrouw gehouden en liet het zaakje voor wat het was. Lotti en Dotti (die ook niet zo erg op hun moeder gesteld waren geweest) hadden niet eens door wat er gebeurd was, omdat zij nogsteeds voorop liepen en niet van plan waren achterom te kijken. De zwaveldamp begon het rennende trio inmiddels meer dan een beetje te irriteren. Coltrain, die immens leed onder zijn verwondingen, kon het tempo van beide meisjes niet goed meer bijhouden.
"Lotti... Dotti...", kermde hij.
Beide meisjes dachten op dat moment hetzelfde, zonder dit van elkaar te weten: pa wou ons een paar uur geleden aan een drom mannen overhandigen, nu vraagt hij om hulp... mmm, wat moet een mens doen?
"Niet achterom kijken!", schreeuwde Lotti naar Dotti, "We wachten tot hij bij ons aangekomen is!".
Lotti en Dotti stopten met rennen. De bergen waren reeds op een steenworp afstand verwijderd van het trio. Lotti zuchtte. Ze had het ondanks alles best plezierig gevonden in de stad. En nu waren ze alweer aan het reizen. Ze haatte reizen!
Coltrain kwam bij zijn dochters aan en zei: "Hou je arme vader vast, help me naar de bergen."
Lotti en Dotti keken elkaar aan. Coltrain was opeens in hun beider ogen een arme oude man, die zwak en verwond was. Hij was vannacht bang geweest en had maar wat geroepen. Ze ondersteunden hun vader en begonnen aan de moeizame tocht in de bergen. Alhoewel de berghelling betrekkelijk gemakkelijk te betreden was, werd hun tocht bemoeilijkt door de last in de vorm van Coltrain. Bovendien had iedereen in het gezelschap een goede nachtrust moeten ontberen. Het leven was Dotti en Lotti echter lief, en zij lieten zich niet door vermoeidheid tegenhouden. Een primitief soort overlevingsdrang had zich meester gemaakt van de twee aantrekkelijke jongedames, die echter nu besmeurd waren met modder en overal op het lichaam lelijke krassen hadden opgelopen.
De zon was al rood en laag aan de horizon zichtbaar, toen Lotti en Dotti van mening waren dat zij ver genoeg van de plaats des onheils verwijderd waren. Doodmoe gingen de meisjes zitten bij de opening van een grot. Hun vader had inmiddels het bewustzijn voor de tweede keer dat etmaal verloren. Lotti en Dotti keken bezorgd naar Coltrain.
"Hij heeft het veel te warm gekregen. Kijk! Hij zweet als een otter", merkte Dotti op.
De meisjes tilden Coltrain de grot binnen, waar ze hem neerlegden op de koele stenen vloer. Het was een kleine grot, waar geen mens ooit binnen was getreden. Lotti en Dotti gingen naast elkaar zitten en keken naar hun vader, die languit op de vloer lag.
"Hij is zwak. Hij gaat dood.", zei Dotti.
"Hij was altijd zwak, en nu gaat hij dood. Hij wil niet langer vechten", antwoordde Lotti.
"En nu zal hij sterven zonder zoons, en hij zal geen weduwe achterlaten. Alleen twee wezen, we kunnen het verder wel vergeten. Wie zal ons nog willen?"
"Wij zullen altijd samen blijven, Dotti. En vader zal zijn zoon krijgen. Als het niet van mij is, dan wel van jou! Laat mij nu alleen met vader, dan zal ik hem wijn laten drinken en zal ik hem een kind laten verwekken bij mij. Daarna is het jouw beurt. Ga maar eens kijken of je wat hout bij elkaar kunt sprokkelen, dan kunnen we vannacht een vuur bouwen."
Dotti verliet de grot en ging op pad. Ze was in alles volgzaam geweest, en ook nu zou ze haar zus gehoorzamen. Vader zou voortleven in hun kinderen, en ze zouden hun kinderen samen opvoeden en behoeden voor de fouten die Coltrain had gemaakt.
Ondertussen had Lotti haar kleren van zich afgeworpen. Ze had Coltrain wijn laten drinken, die ze mee hadden genomen, en nu ging ze bovenop hem zitten. Coltrain had vannacht dan wel geschreeuwd dat Lotti nog een maagd was, maar dat was niet geheel waar. Zij had nog geen jaar daarvoor een jongen leren kennen, die haar genomen had toen ze daar helemaal niet van gediend was geweest. Daarna had de jongen haar niet meer willen kennen. Nee, de beste sex had zij tot nu toe met haar zus gehad.
Haar vader hoefde niet veel werk te verrichten (was daar ook niet toe in staat), Lotti ging als een wilde tekeer. De spanning van het moment dat ze zo aan het werk was bovenop haar vader, maakte dat ze het ene orgasme na het andere bereikte. Ze had de wrijving rond haar geslachtsdelen immers helemaal zelf in handen en ze wist nauwkeurig wat bij haarzelf het beste werkte. Ze vergat haast waar het haar om te doen was. Het ging niet om haar voldoening, maar om haar vader, die moest voortleven in haar vrucht. En als zíj geen vrucht zou kunnen dragen van haar vader, dan zou het lot het zo hebben gewild, en zou de eer Dotti te beurt vallen. Of misschien geen van beide. Maar Lotti voelde zich buitengewoon vruchtbaar en zou het vreemd vinden als hier geen kind uit voort zou komen. Ze had Coltrain onder haar voelen trillen en een warme gloed rijkelijk in haar voelen stromen. Bovendien was ze bij haar weten nooit eerder in een korte tijd zo vaak en zo heerlijk klaargekomen.
Dotti kwam terug met een flinke bos takken en trof haar zus buiten de grot aan. Lotti moest glimlachen en pakte de hand van Dotti. Ze waren beiden nat van onderen.
"Kom", zei ze en drukte haar zus dicht tegen zich aan.
De meisjes kusten elkaar op de mond en bleven lange tijd innig in elkaars armen. Dotti had de afgelopen maanden een groeiende belangstelling voor de borsten van Lotti ontwikkeld. Ze vond het geweldig om ze vast te pakken en te kussen. Ze waren ook zo mooi vol en zacht geworden. Ze knielde bij haar zusje neer en begroef haar gezichtje tussen de stevige borsten. Ze kuste ze door de kleding heen, afwisselend wild en teder. Lotti vond de aandacht voor haar borsten bijzonder opwindend en sloot enige tijd haar ogen. Met haar handen streelde ze door de haren van haar jongere zus, die nogsteeds haar borsten kuste en deze zo nu en dan tussen duim en wijsvinger optilde.
"Kom, het is jouw beurt", zei Lotti tegen Dotti, "je voelt vanzelf hoe het moet, het zit in je bloed. Volg je intuïtie."
Dotti liep zonder te reageren de grot in. Coltrain zag er nu nog zwakker uit dan toen ze Lotti en hem zonet in de grot had achtergelaten.
"Dag vader", zei Dotti, die in tegenstelling tot haar zus nog wèl maagd was. Ze ontdeed zich van haar kleding en streek neer op haar vader. Naast haar vaders hoofd stond een kleine bronzen beker met wijn. Ook Dotti goot enige wijn in haar vaders mond. Coltrain had van al de gebeurtenissen van die dag weinig meer begrepen. Het bedrijven van de liefde met zijn eerstgeboren dochter (of had hij de lijdende rol gehad?) had de laatste reserves uit zijn lichaam gezogen. Nu ook Dotti op hem neer was gestreken en ze zijn nog voldoende in opgewonden staat verkerende geslachtsdeel in het hare plaatste en wulps op en neer begon te bewegen, ging de ruimte om Coltrain heen draaien. Hij zag zwarte vlekken over de rotswanden trekken. Schaakbordpatronen kwamen langs in zijn gezichtsveld, en nu en dan zag hij zijn jongste dochter heen en weer bewegen. Dit was allemaal te vreemd voor woorden! Coltrain kuchte een keer, en zag dat Dotti haar ogen had gesloten. Was het de wijn? Buiten werd het lichter en lichter, ook in de grot verdwenen de schaduwen om plaats te maken voor schimmige wezens.
"Kom", zei een donkere schim naast hem.
En Coltrain kwam, voor de tweede keer die avond. Hij schoot zijn zaad bij zijn jongste dochter naar binnen en stapte in het licht. Dotti kwam vlak na haar vader klaar, maar minstens zo heftig als haar zusje was gekomen.
"Dood als een pier", zei Lotti.
"Gestorven in het harnas," zei Dotti.
De meisjes gingen de volgende dag naar het nabijgelegen dorp en baarden negen maanden later twee sterke zoons. Beide jongens stichtten grote families en vervulden belangrijke functies in de samenleving.
"Geen gekte in de familie, zo te horen", zei Bogal.
"Laten we de resten van dat mens gaan opruimen. Ik heb een verrekte zin in het graven van een kuil", zei Zoryq.
"Mijn idee", voegde Bogal er aan toe, "Een kuil, yeah."
Hij begon direct te graven met zijn handen.
"Niet hier, oen", zei Zoryq, "We graven een kuil achter de struiken. Daar waar het onmogelijk is een kuil te graven. Stenen, wortels, een beetje een uitdaging ja?"
Zoryq en Bogal groeven een kuil, waarbij zij hun handen openhaalden aan de scherpe rotsen en de vele wortels. Toen de kuil een goede zes meter diep was, gooiden zij de resten van hun macabere maaltijd erin. De kuil werd vervolgens weer gedicht.
"Dit vinden ze direct", zei Bogal, "Geen lol aan. Wat zeg ik: geen lol aan!"
Bogal deed een paar vreemde bezweringen, draaide enige malen in de rondte, waarbij zijn voeten een ingewikkeld patroon leken te volgen.
"Zeral oheryq", sprak hij.
Op het geïmproviseerde graf begonnen grassprieten te groeien. Mossen schoten over de grond, paddestoelen kwamen op en rietstengels begonnen te bloeien. Weldra waren de sporen van de kuil geheel verdwenen.
"Hou je een beetje in", zei Zoryq verveeld.
Bogal had er een handje van magie in het spel te betrekken. Zoryq bewaarde deze trucs liever voor noodgevallen of bijzondere gelegenheden. En zo als het er naar uitzag, hadden zij nog een aantal bijzondere gelegenheden voor de boeg: Het bezoek aan Julius Thyssen, de schrijver van ‘Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt’ en het vernietigen van alle copieën van het boek. Zoryq vroeg zich serieus af in hoeverre Julius Thyssen alle verspreidingsplaatsen van zijn boek aan hen zou mededelen. Als hij überhaupt al zou weten waar de copieën van het verlichtende werk naartoe waren gegaan. Nee, ze waren er weer mooi ingestonken. Dit was een rot-opdracht van die rot-Sal met zijn rothonden. Zoryq kreeg de onweerstaanbare behoefte iemand te slaan. Bogal? Nee, dat zou te eenvoudig zijn. Bovendien hield Bogal bij tijd en wijle wel van pijn. Bah.