Maandagochtend. Buiten regende het. Quint keek naar het papiertje met Marga’s handschrift erop. Hij had nooit veel geloof gehecht aan waarzegsters, zieners en wat dies meer zij. Goed, edelstenen, daar had Sarah het vaak over gehad. Omdat hij van haar hield had hij zich ervoor geïnteresseerd. Volgens Sarah ging er een geneeskrachtige of soms zelfs beschermende kracht uit van stenen. En nu zij dood was moest hij zichzelf bekennen dat hij dergelijke zaken naar het rijk der fabeltjes verwees. Dat astrologie je reinste waanzin was had Imogeen hem al meer dan eens uitgelegd. Hij kon zich niet meer herinneren waarom ook alweer. Hoe graag zou hij naast haar zitten, naar haar uitleggende stem luisteren en haar ranke bewegingen bewonderen.
"Rot voor je kerel", zei Sjef, "Ik zou mezelf niet meer zijn als één van mijn dochters weg was." Dat hij juist "één van mijn dochters" moest zeggen, dat was nou zó typerend voor ’m. Geen gelegenheid voorbij laten gaan om in vergelijkende trappen te denken.
"Ja, rot is het zeker", mompelde Quint zonder Sjef aan te kijken.
"Wat zegt de politie?"
"Die moet ik vandaag weer bellen. Pas als ze 48 uur weg is is ze echt weg, begrijp je?"
"En... wanneer is ze 48 uur weg???"
Wat kan het jou schelen, dacht Quint.
"Weet ik veel. Zometeen ofzo. Ik bel ze zometeen."
De gulden viel bij Sjef. Zijn gewaardeerde collega Quint had geen zin in een conversatie. Sjef liep weg van het bureau van Quint. De secretaresse van de afdeling gooide een memo bij Quint neer.
"Vergadering over een half uur. In verband met de overval."
Ook dat nog, dacht Quint, de overval. Er was vrijdagmiddag een overval geweest waar enkele doden bij waren gevallen. Beneden bij hun. Even dacht Quint aan een mogelijk verband, maar al gauw legde hij dit idee weer neer. Toeval, meer niet. Hij moest geen spoken gaan zien.
Bij de vergadering was een agent aanwezig. Hij stelde zich voor als Meaude Grillée, hoofdofficier belast met het onderzoek van de overval. Verrek, dacht Quint, dat is die gast die ik gisteren ook al aan de telefoon had. Woon je in zo’n enorme stad, kom je bij twee totaal verschillende zaken dezelfde politie-functionaris tegen. De baas van Quint nam het woord:
"Hoofdofficier Grillée zal enige vragen stellen en notities maken. Het is van het grootste belang dat de daders van deze laffe actie zo snel mogelijk achter slot en grendel belanden."
Waarom? dacht Quint. Misschien was dit wel hun enige roofoverval en kunnen ze nu tot hun dood als eerzame burgers van de buit leven.
"Ik geef nu het woord aan de Heer Grillée."
"Heren... dame, ik moet u attent maken op een zeer verwarrend gegeven en wel de totale geschatte waarde van de buit. We praten namelijk slechts over circa vijfhonderd gulden, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat de overvallers geld hebben geweigerd. Toen het dienstdoend personeel behulpzaam wou zijn en een extra geldbedrag overhandigde zijn er helaas slachtoffers gevallen. Wij achten deze overvallers levensgevaarlijk en een bedreiging voor de samenleving. Elke aanwijzing die kan leiden tot het arresteren van verdachten kan op dit moment van onschatbare waarde zijn. Dus, mijn vraag: is er iemand onder u, die afgelopen vrijdag iets vreemds en/of verdachts heeft waargenomen?"
Het bleef enige tijd pijnlijk stil. De aanwezigen keken elkaar eens aan.
"Is er geen video-opname gemaakt vrijdag?", vroeg Sjef, die iets had gehoord over een video-opname. Meaude keek Sjef vermoeid aan.
"Wel, er is inderdaad een video-opname gemaakt ten tijde van de overval. Het eh... vreemde is, dat er van de overvallers niets te zien is op de videotape."
"Hoezo niet?"
"Dat begrijpen we zelf ook niet. De tape wordt in het gerechtelijk laboratorium onderzocht. We hebben misschien te maken met een nieuwe video-trucage ofzo, we weten het niet. Op dit punt in het onderzoek kunnen we hierover verder nog geen informatie vrijgeven. Verder nog iemand?"
Nu bleef het ècht stil.
De baas nam het woord weer. Hij drong er tot grote vreugde van de Heer Grillée op aan, dat ook naderhand contact zou worden opgenomen. Voor het geval dat er nog iets te binnen mocht schieten. Toen iedereen het vergaderzaaltje uitliep, riep de baas:
"Quint! Ik zou graag nog even iets met je bespreken..."
Quint bleef staan, enigszins verbaasd.
"Het schijnt", begon de baas, "dat jij vrijdag eerder weg bent gegaan. Is dat correct?"
"Ja, maar ik was klaar met alles en ik zie niet in wat dit met de overval te maken heeft. Mijn dochter..."
"Quint, ik weet van je dochter. Het spijt me heel erg. Maar je zegt het toch wel tegen me, als ik je kan helpen? Als je ergens bij betrokken bent geraakt? We kennen elkaar nou... wat is het? Hoe lang werk je hier al?"
"Zes jaar, geloof ik. Ik ben heus nergens bij betrokken, alleen MIJN DOCHTER IS VERDWENEN!!! En ik weet verdomme niet waar ze naartoe is gegaan! Ik weet helemaal NIKS!!!!"
"Hé kerel, relax, chill! Ik begrijp je emoties, maar probeer je een beetje te beheersen!"
Het gebeuren van de afgelopen tijd had hem veranderd, hij voelde het aan zijn water, hij durfde meer, hij was beestachtiger geworden;
"Beheersen? Beheersen? Ik heb alléén maar mijn dochter en zelfs háár ben ik nu kwijt! Weet je wel wat dat betekent? Ik sta er alleen voor! Alleen! En jij... jij beschuldigt me van... jij beschuldigt mij omdat ik vrijdag even wat eerder weg ben gegaan? Wat is dat voor gezeik?"
"Zou je niet zo’n toon tegen mij aan willen slaan?"
"Toon? Wat heeft mijn ‘toon’ er nou weer mee te maken? Er zijn vrijdag dooien gevallen en mijn dochter is weg en jij begint te zeuren over mijn toon? Wie denk je dat je bent?"
"Zo is het wel genoeg. Je gaat thuis maar een beetje uitrazen. Ik zal dit gesprek door de vingers zien, omdat ik je.. je sympathiek vind en medelijden met je heb. Maar nóg zo’n incident en je vliegt eruit. Begrepe?"
"Okay, dankjewel. Sorry, ik eh.."
"Geeft niet. Neem maar een week of twee vrij. Kijk wat je kunt doen."
Quint liep het vergader-zaaltje uit. Bij het inpakken van zijn tas dacht hij na over de laatste zin van zijn baas. Wat had hij daarmee bedoeld? ‘Kijk wat je kunt doen’. Wat was dat nou voor flauwekul-advies? Nou ja, hij kon de extra tijd wel gebruiken om Iem op te sporen. Hè gat, daar had je Sjef weer. Shit.
"Hé! Ben je ontslagen?"
"Nee, natuurlijk niet. Ik heb verlof. Ga m’n dochter zoeken."
"Echt rot voor je allemaal. Het is zo’n leuke meid."
Ja natuurlijk is ze een leuke meid, maar wat verbeeldde hij zich wel? Altijd maar dat geslijm. Sjef kende haar niet eens.
"Ja", zei Quint, "Ze is een leuke meid. Ik ga dood als ik haar niet terugkrijg."
"Hé, weetjewat? Ik ken een heel erg goede detective. Als híj haar niet vindt, dan vindt niemand haar. Hier, ik zal je z’n telefoonnummer geven..."
Sjef krabbelde met zijn afzichtelijk lelijke gouden vulpen een nummer op de achterkant van zijn visite-kaartje. Ook al zo’n onzin, dacht Quint. Sjef was net als hij gewoon een administratieve medewerker, nothing fancy, dus wat moest ’ie nou met een visite-kaartje? De man was een niks, een loser, nada, niente, zero.
"Dankjewel.." fake-te Quint
"Hé sterkte man! Bel me gerust als er wat is."
Sjef is wel de laatste mens op aarde die ik bel, dacht Quint.
"Prettige dag nog."
Bij de uitgang van de bank belde Quint van uit een telefooncel opnieuw met de politie, ook al was Imogeen dan nog niet precies 48 uur vermist. Afgerond wel. Grillée was nog niet teruggekeerd op zijn post. De politie-medewerker die Quint te woord stond was zeer behulpzaam en meelevend. Alle gegevens werden genoteerd en er zou een zoekactie gestart worden. Quint kreeg te horen dat hij de komende dagen bezoek kon verwachten als het bureau aanvullende gegevens nodig had voor het onderzoek. Ook moest hij zo spoedig mogelijk een recente goed-gelijkende foto van Imogeen komen langsbrengen. Toch had Quint vaag het idee dat iedereen die over een vermissing belde een dergelijk verhaal te horen kreeg. Het was allemaal een beetje te gladjes. Daarom belde hij ook met Miss Caro Lasca, de waarzegster die Marga kende. Ach Marga, hij zag haar naakte lichaam weer voor zijn geestesoog. Hij maakte een afspraak met Miss Caro Lasca voor de volgende dag. Zij zou hem ontvangen in haar woning. Hoewel Quint weinig vertrouwen had in waarzegsters vertrouwde hij Marga voor de volle honderd procent. En dit was nu eenmaal een tip van Marga geweest. Hij kon het in ieder geval proberen. Ja, hij was bereid alles te proberen. Hij zou zonder parachute uit een vliegtuig springen als hij Imogeen daarmee terug zou krijgen. Niets was te gek. Hij belde zijn eigen nummer, maar niemand nam op. Hij kon het in ieder geval proberen. Wat kon hij verder nog proberen? Wat was hij vergeten? Lieve hemel, haar school! Als goed ouder behoorde je de school te berichten wanneer een leerling niet op kwam dagen. Helemaal vergeten! Snel zocht hij het nummer van haar school op in zijn agenda. De concierge nam op, noteerde haar afwezigheid ‘tot nader bericht’ en wenste Quint veel succes. De concierge was een aardige kerel, dat had Imogeen ook vaak gezegd. Soms moest ze zich voor straf gaan melden, als ze te brutaal was tegen een leraar. Maar de concierge was altijd vriendelijk en begripvol. Meer dan eens had Imogeen een half uur eerder op school moeten komen, en dan had ze thee gedronken met de concierge. Nu Quint hem aan de telefoon had, begreep hij Iem’s sympathie voor de man. Geheel uit zichzelf zei de concierge, dat hij de klas waar Imogeen in zat zou toespreken over haar verdwijning. Als er dan enige aanwijzingen zouden volgen, zou hij hem direct bellen. Waren er maar meer mensen zo behulpzaam, dacht Quint. Hij verliet de telefooncel. Een moment moest hij denken aan wat Marga de vorige avond had gezegd; dat hij na een bevredigende sexuele ervaring de dingen met meer helderheid zou beschouwen. Misschien had ze nog wel gelijk ook. Hij was rustig, fatalistisch rustig. Het begon te regenen en Quint verhoogde zijn tempo. Vlakbij de bank was een klein restaurant, waar hij meestal tussen de middag een croissant ging eten en een cappucino décaf ging drinken. Bij het oversteken van een straat zag hij in de verte een meisje. Zijn hart bonsde als een bezetene en het bloed stroomde naar zijn hoofd; het was Imogeen! Hij rende op haar af. Bij elke stap werd hij natter en natter. Het water stond al bijna tot zijn kruis toen hij haar bereikte. Maar het was haar niet. Het was iemand anders, iemand die niet eens een klein beetje op haar leek. Een vrouw van ver over de dertig, die hem vreemd aankeek, alsof hij iets had misdaan ofzo. Quint zag hoe de wereld om hem heen begon te draaien. Zijn ogen tolden in hun kassen en in zijn oren klonk een hevig ruisen. Snel greep hij zich vast aan een lantarenpaal. Inmiddels zag hij niets meer en voelde hij een pijnlijke steek in zijn borst.
"Nee!", schreeuwde hij.
Hij moest haar terugvinden. Er kwam weer wat zicht terug. Langzaamaan zag hij weer contouren. De ruis verdween uit zijn oren. Enigszins beschaamd liep hij naar het restaurant. Allemachtig, dat je zó graag iets wilt zien dat je het gaat verzinnen. Als ze nou een klein beetje op haar had geleken, maar het was totaal iemand anders geweest.
Voor de deur van het restaurant aarzelde hij even. Hij kon best naar huis gaan, hij had immers vrij. Maar het huis was zo leeg, Imogeen was zo ontzettend ‘niet daar’. Als hij thuis ging zitten, zou hij de hele tijd die ellendige pijn rond zijn hart voelen, het zwarte ademstokkende verdriet. Natuurlijk hoopte hij dat ze gewoon thuis zou zijn. Maar hij wist dat ze er niet zou zijn. En daarom opende hij de deur van het restaurant en liep naar binnen. Water druppelde langs zijn benen naar beneden en veroorzaakte een plas op de plaats waar hij stil bleef staan. Beleefd veegde hij zijn voeten.
"Quint! Hoi!", riep de serveerster.
"Ja hoi", brabbelde hij terug.
"Vroeg vandaag..."
"Ja ach... het zijn rare tijden..."
"Raar? Wat dan?"
"M’n dochter is weg weet je, echt heel ellendig."
"Aah joh, die jonge meisjes! Op die leeftijd liep ik ook constant van huis weg. Ze komt wel weer terug. Ik kwam ook altijd weer terug. Loop je ergens in de regen onder een brug, kletsen met zwervers enzo, denk je verrek, thuis was het zo slecht nog niet! Dus ik weer naar huis. Ja, pa en ma kwaad, sorry, spijt me en dan lekker onder de douche en in je eige vertrouwde bed gaan liggen. Heeft allemaal met de leeftijd te maken. Ik zeg je: voor je het weet staat ze weer voor de deur... met hangende pootjes..."
"Ik hoop het, ik hoop het echt."
"En hoop doet leven, zeg ik maar altijd. Décaf met een croissant dan maar? Een mens moet toch wat eten niet?"
"Ja lekker."
De serveerster verdween naar de keuken en Quint smeet zijn jas over een stoel. Hij keek uit het raam en zag het regenwater over de straat stromen. Als Iem maar niet onder een brug zit te schuilen voor de regen! Dit schrikbeeld doemde voor Quint’s ogen op en voor hij er goed en wel erg in had, stroomden de tranen over zijn wangen. Hij keek naar buiten, zodat de mensen in het restaurant hem niet zouden zien. Buiten huilde de hele wereld. Grote plassen ontstonden op de straten, mensen liepen voorovergebogen onder hun paraplu’s. Quint hoopte dat hij zou stoppen met huilen, maar kon zichzelf niet bedwingen. Steeds weer zag hij haar voor zich, haar lach, en dan realiseerde hij zich, dat hij zonder haar niet door kon. Een vader hoort zijn kinderen niet te overleven. Dat voelt fout. Het vervelendste was nog wel de onzekerheid. Hij wist helemaal niets. Hij had ook helemaal geen kant om op te gaan. Goed, de politie was er nu mee bezig, maar wat konden zij doen? Er waren nul aanwijzingen. Nul! Hij had alleen maar het vage idee dat Laura misschien tóch iets wist en een afspraak met een waarzegster! Imogeen zou al gruwelen bij het idee dat hij naar een waarzegster ging om haar te proberen terug te vinden. Hij móest wat afleiding vinden, anders zou hij hier nog een paar uur zitten grienen tot de gemeente hem zou komen ophalen. Hij graaide in zijn tas en haalde het boekje, waar Iem in had gelezen, tevoorschijn. Met bewondering keek hij naar de omslag van het boek. Hij had er al eerder naar zitten staren, maar telkens als hij het boek in zijn handen had, was het alsof hij meer aanraakte dan alleen maar het zoveelste boek. Het was een raar boek, zonder meer. De diversiteit van het geheel betekende een aanfluiting voor menig ander boek, waarin de lezer op bladzijde één al door had welke kant het verhaal op zou gaan. Dit boek was geen bundel korte verhalen. Eigenlijk was het boekje met niets te vergelijken, of anders met alles tegelijk. Sjef vergeleek alles in zijn leven met dat van anderen. Had hij maar één dochter, Sjef had er twee. Ging Quint op vakantie naar Frankrijk, ging Sjef naar Spanje. Nog verder weg. Elke keer dat Quint in de afgelopen dagen het vreemde boekje had opengeslagen en erin had gelezen, had hij de indruk gekregen dat deze schrijver boven al die vergelijkende trappen uit steeg. In de wereld van deze schrijver werd alles bij zijn naam genoemd en was er geen competitie tussen verschillende partijen. Dat beviel Quint wel. In de wereld om hem heen zag Quint de hele dag mensen met elkaar in competitie, strijden om niets, om eer, beide partijen bij voorbaat gedoemd te verliezen. Quint’s verdriet had plaatsgemaakt voor woede, wat in zijn ogen altijd een wat creatievere emotie was. Verdriet had altijd met onmacht te maken. Dan was het alsof hij onder een wals terecht kwam en langzaam plat werd gereden, onmachtig om het tij te keren. Woede, yeah, daar kwamen nog wel eens plannen uit voort. Hij sloeg het boek open en las in één ruk het hoofdstuk ‘Astrologie, eg wel nie!’ uit. Het lezen van deze woorden verwarmde Quint aangenaam. Dit was wat Imogeen hem ook wel eens had uitgelegd. Astrologie was een verzamelnaam voor de meest verschrikkelijke leugens en onzin, gebaseerd op antieke feiten. De schrijver van het ‘Wacht Maar’-boek had de feiten op een rij gezet en daarmee de hele astrologie in zijn hemd gezet. Quint hoopte dat Miss Caro Lasca morgen niet zou beginnen te eikelen over Venus-in-dat-huis en Mars-zus-en-zo, want dan zou hij direct vertrekken. Hier kon geen mens omheen, eg wel nie. Tot zijn verbazing zag hij dat de cappucino décaf en de croissant reeds voor zijn neus stonden. Hij had helemaal niets gemerkt! Als een kostbaar bezit stopte hij het boek voorzichtig terug in zijn tas. Op meer dan één punt verbond dit boek hem een klein beetje met Imogeen. Waar ze nu bijna twee dagen geleden naartoe was gegaan had misschien iets te maken met dit boekje. Hij zou het thuis helemaal gaan lezen met Polizei op zijn schoot. Maar eerst moest hij een recente goed-gelijkende foto van Imogeen langsbrengen bij het politiebureau. Met zijn geest op nul at Quint zijn croissant op en slurpte hij de décaf naar binnen.