"Overigens moeten we maar vertrouwen, dat iedereen begrijpt wat we bedoelen, als we van ‘ethische waardeering’ of ‘zedelijke waardeering’ spreken. Indien er werkelijk een mensch bestond, die het gevoel van zedelijke waardeering niet uit eigen ervaring kende, die dus ontoegankelijk was voor zedelijke gevoelens, dan zouden we hem evenmin het begrip ‘zedelijk’ of ‘ethisch’ bij kunnen brengen als we een blindgeborene kunnen duidelijk maken wat rood en groen is."
- Dr.C.H.Ketner (Goed en Slecht)
Zo op het einde van de middag begon het al aardig donker te worden. Een hinderlijk kille wind deed menigeen besluiten binnen te blijven. Het had die dag bovendien geregend, waardoor grote plassen ontstaan waren. Zoryq en Bogal liepen over een onverhard pad naar de flat, waar de nietsvermoedende schrijver woonde. Bij elke stap die de twee heren zetten, ergerden zij zich aan de slechte kwaliteit van het modderige weggetje naar de flat. Aangekomen bij een drukke autoweg bleven zij staan. Zoryq wees naar de flat, die een groot gedeelte van de hemel vóór hen in beslag nam.
"Daar is het", zei Zoryq, "Ik zie het bordje met het huisnummer. Ik geloof dat ik begin te begrijpen hoe dat hier werkt met straten en nummers enzo.."
Zoryq als Bogal beschikten allebei over een meer dan gemiddeld gezichtsvermogen. Hierdoor was het voor Zoryq een koud kunstje om een huisnummer op de tiende etage vanaf de grond te lezen. Bogal begon de autoweg over te steken en keek, zoals voor hem te doen gebruikelijk was, in het geheel niet uit voor de andere weggebruikers. Piepend kwam een kleine auto tot stilstand in de berm. Zwarte sporen van de banden maakten duidelijk dat de bestuurder in kwestie over een degelijk remsysteem beschikte. Bogal bleef midden op de weg staan, snoof met voldoening de geur van verbrand rubber op en keek vol interesse uit naar wat er ging gebeuren. De bestuurder van de auto stapte woedend uit de auto. Met een knal gooide hij het autoportier weer dicht en schreeuwde naar Bogal:
"Hé jèè daar!! Goan we leuk doen, èkel!?"
Zoryq sloeg een hand voor zijn ogen. Hij wist namelijk dat Bogal een fascinatie had voor eetbare natuurproducten. En ja hoor, waar Bogal had gestaan, lag nu een reusachtige eikel op de weg. De bestuurder van de auto bleef verbijsterd staan kijken.
"Hé seg.. muwwa..", zei hij, uitdrukking gevend aan zijn op dat moment weinig samenhangende gedachtenstroom.
De eikel rolde richting de man en bleef vlak voor hem stilliggen.
"Neehee Bogal", zei Zoryq, die het ergste verwachtte.
En de eikel begon weer te rollen, waarbij de man werd gereduceerd tot een onduidelijke vlek in de berm van de weg. Geheel verward door de aaneensluiting van onwerkelijke voorvallen had de bestuurder het niet eens op kunnen brengen te schreeuwen. Zoryq stak de autoweg over, maar niet voordat hij naar rechts en links had gekeken. Zonder om te kijken liep hij door naar de flat. Bogal bekeek het verder maar met zijn onzin. Dit schoot gewoon niet op.
"Hé wacht nou!", schreeuwde Bogal. Zoryq keek niet om en liep met dezelfde snelheid door. Bogal had zichzelf in een nachtegaal veranderd en vloog naast Zoryq.
"Het was maar een geintje!", zei hij als nachtegaal.
"Nachtegalen kunnen niet praten... en hier komen die beesten helemaal niet voor, sukkel. Kijk toch een beetje uit! Straks ziet iemand die gedaanteverwisselingen en en en... motte we ’t weer uitleggen!"
Bogal de nachtegaal wist niet wat hij hier tegenin kon brengen.
"Word ogenblikkelijk een net en betrouwbaar ogend mens, dammit!", ging Zoryq verder.
Verkleed als twee nette en betrouwbaar ogende mensen stonden Zoryq en Bogal beneden in het portiek van de flat. Zij hadden al een paar keer op de bel naast het bordje ‘thyssen’ gedrukt, maar daar werd niet op gereageerd.
"Misschien is ’ie niet thuis ofzo", opperde Bogal.
"Hij is thuis. Zit niet te zeuren. Ik voel het. Ik voelde het net buiten, toen ik naar boven keek. Denk eerder dat de bel niet werkt. Zo om mij heen kijkend kan ik niet anders constateren dan dat de afdeling onderhoud van deze flat permanent op vakantie is. Wat een zootje."
Zoryq en Bogal wachtten enige tijd op een toevallig langskomende flatbewoner, maar mede dankzij het ellendige weer had het er alle schijn van dat er niemand van plan was toevallig langs te komen. Bogal begon al transparant te worden en zei:
"Volg voor een keer mijn voorbeeld. Als niemand de deur voor ons opendoet, zal ook niemand ons door de deur heen zien stappen."
"Fair enough", antwoordde Zoryq en ze stapten dwars door de deur heen. Achter de deur bevonden zich de liften en de trap. Zoryq en Bogal namen de lift naar de tiende etage, waar de schrijver op nummer 1001 scheen te wonen.
"En hou je aan de afspraak", zei Zoryq, "Als we gaan kloten met magie is het maar de vraag hoe die Thyssen op ons reageert. Voor nu zijn we twee aardige mensen, die voor een tijdschrift werken en de grote schrijver willen interviewen."
"Een goed plan, Zor. Ik durf te wedden dat je nog niet eens weet voor welk tijdschrift we werken. En dit tijdstip! Eind van de middag! Zonder afspraak!"
"Suggesties?", vroeg Zoryq nors, wetende dat Bogal gelijk had.
"We trappen de deur in, zetten hem een mes op zijn keel en als hij alle verspreidingsplaatsen van dat rottige boek heeft genoemd, helpen we hem alsnog naar de andere wereld."
"Je vergeet dat Thyssen misschien niet eens weet waar al die boekjes naartoe zijn gegaan. We moeten de uitgever zien te spreken want die heeft, mogen we tenminste aannemen, één of andere administratie."
"Ja Zor, maar zelfs de uitgever weet naar alle waarschijnlijkheid niet in welke winkel wie wanneer het boekje gekocht heeft. Gek eigenlijk dat Sal daar helemaal niets over gezegd heeft. Die gast heeft soms zo bar weinig inzicht in dingen..."
"Deze opdracht begint mij hoe langer hoe meer de keel uit te hangen. Laten we die Thyssen maar netjes vragen naar naam en adres van de uitgever, plukken we daarna nog zoveel mogelijk informatie uit ‘m over waar hij denkt dat dat boekje zoal naartoe is en tot slot leggen we deze flat in as. Weten we zeker dat er tenminste al één boek minder is."
"Je moet niet uitsluiten dat Thyssen geen enkel exemplaar van het boek in zijn bezit heeft. Ik wou ook eens een boek gaan schrijven, maar ik wist al bij voorbaat dat ik het nooit zelf zou willen lezen en..."
"Yeah yeah, hou nou maar op!"
Zoryq was het spuugzat. Bij de voordeur van Thyssen gearriveerd moesten zij constateren dat er geen enkel licht in het huis brandde.
"Hoe kan dat nou?", zei Zoryq, "Toen we net beneden stonden zag ik wèl licht branden."
Bogal drukte op de bel. Er klonk een irritant hard bel-geluid, maar verder bleef het stil. Boven de deur knipperde achter een ruit een neon-lampje onverstoord door, duidend op één of ander geavanceerd alarmsysteem. Het zinde Zoryq allemaal niet.
"Niet thuis", zei Bogal. Hij draaide om en wou alweer richting de lift lopen toen Zoryq hem bij de arm pakte.
"Blijf nou hier! Misschien zit ’ie gewoon even op de plee ofzo."
Zoryq drukte nog drie keer op de bel, maar een reactie bleef uit. Wat Zoryq en Bogal niet wisten was dat Julius Thyssen slechts hoogstzelden reageerde op onverwacht bezoek. Gewoon de deur opendoen was er niet meer bij, mede vanwege het feit dat de schrijver dankzij het verschijnen van zijn boekje allerlei mensen tegen zich in het harnas had gejaagd. Er verstreek een kwartier, waarin Zoryq als versteend bij de deur bleef wachten. Bogal vermaakte zich met het sarren van een spin, die zijn web had gesponnen in de buurt van de verlichting bij de deur van Julius Thyssen.
"Dit kunnen we wel vergeten. Ik ben bang dat we er gewoon niet komen zonder trucs. Zeg... kunnen we die boekjes niet langs magische weg localiseren?"
Op het gezicht van Bogal verscheen een overdreven glimlach. Zor vroeg aan hem om magie bij het spel te betrekken! Dat hij dit nog mocht meemaken!
"Maar natuurlijk", zei hij tegen Zoryq, die net bezig was nieuwe betekenis te geven aan het begrip ‘teneergeslagen’.
"Uah?", was het enige wat Zoryq kon opbrengen.
"Wat we moeten doen is dit: Het boekje van Thyssen is op één of andere manier magisch herkenbaar, omdat het bepaalde eigenschappen bezit. Kijk, en als we weten welke elementen ermee verbonden kunnen worden, dan zijn we zo goed als thuis! Kwestie van analoge magie. We stellen een voorwerp samen dat dezelfde elementen representeert, blazen het op één of andere manier leven in en bingo, kassa! Als we bijvoorbeeld een hond scheppen, die alle elementen van dat boek in zijn wezen meedraagt, zal hij ons zonder dat het teveel in de smiezen loopt naar alle boekjes brengen."
Zoryq overdacht hetgeen Bogal net had gezegd. Het verhaal kende nog enkele vage punten, maar er zat niettemin een kern van waarheid in.
"Dan moeten we dat ellende-boek zelf eerst gaan zitten doorpluizen zeker", zei Zoryq.
Bogal wees met een nonchalant gebaar naar de voordeur van het appartement, waar Julius Thyssen woonde.
"We hoeven alleen maar hier naar binnen te vliegen en Thyssen z’n boekje mee te gappen. Maak ik van de gelegenheid gebruik om die gast z’n hersens in te slaan. Als ’ie er is. Nog zo’n grap en we kunnen met pensioen..."
"Je hebt zeker nog nooit van een bibliotheek gehoord", zei Zoryq vermoeid, "Morgen gaan we op ons gemak in de bibliotheek in dat boekje neuzen. Daarna mag jij je plan uitvoeren, en als dat ook op niks uitloopt gaan we overmorgen alsnog bij Thyssen op bezoek. Of hij nou open doet of niet. Okay?"
"Okay".
De twee heren verlieten het flatgebouw, waarbij zij even weinig mensen tegenkwamen als op de heenweg. Beneden bij de weg stond echter een groepje mensen. Verschillende auto’s, waaronder een ambulance en een politie-auto, stonden in de berm geparkeerd. Er was duidelijk interesse voor de uit menselijke resten bestaande vlek aan de kant van de weg, die Bogal nog geen half uur daarvoor veroorzaakt had.
"Die.. da..dat zijn ze! Dáár, hou ze tegen!"
Een jonge vrouw wees panisch naar Zoryq en Bogal, die op hun gemak naar het groepje mensen slenterden. Twee politie-agenten, die bij de vlek van botten en ingewanden gehurkt zaten, veerden op en haalden trillend van opwinding hun glimmende wapentuig tevoorschijn.
"Laten we deze mensen maar eens hun gang laten gaan", zei Zoryq fluisterend, "we hebben vanavond toch niks concreets meer te doen."
Geen meter verwijderd van de twee op hun gerichte pistolen bleven Zoryq en Bogal stilstaan.
"Handen omhoog", schreeuwde wat duidelijk de oudste agent was.
"Origineel... zoniet zéér origineel...", zei Bogal.
In navolging van Zoryq stak ook hij zijn handen in de lucht.
"Voorzichtig", schreeuwde de agent tegen zijn jongere collega, "Kijk of ze wapens bij zich dragen en doe ze de handboeien om."
"Je zou het beter in omgekeerde volgorde kunnen doen", probeerde Zoryq, "want als jullie ons fouilleren dan kunnen we ondertussen altijd nog onze eventuele..."
"Koppen dicht!", schreeuwde de agent. Zijn collega kwam aarzelend naderbij en sloeg de beide heren eerst maar in de handboeien.
"Vanadium staal", zei Bogal.
"Hè watte?"
De jonge agent, die geen interesse had voor veredeld staal en wat daarmee samenhangt, begreep niet wat vanadium staal ergens mee te maken kon hebben.
"Die handboeien, die zijn van vanadium staal. Gaaf."
De jonge agent keek naar Bogal, die hem glimlachend aankeek. Meestal reageerden de mensen niet zo vrolijk als ze in de boeien werden geslagen. Wat was dit voor grapjas?
"Wat hebben we eigenlijk misdaan?", vroeg Zoryq allervriendelijkst.
"U staat beiden onder arrest wegens vermoedelijke betrokkenheid bij een geval van moord", zei de oude agent.
De jonge vrouw, die zo onbeleefd naar Zoryq en Bogal had gewezen, knikte goedkeurend. Hardhandig werden de twee heren naar de achterbank van de politie-auto verplaatst. De twee agenten gingen voorin de auto zitten. De oudste agent nam plaats achter het stuur en reed weg van de plek des onheils.
Zoryq vroeg zich af waarom ze gearresteerd werden. Toen Bogal en hij naar de flat waren gelopen hadden ze er anders uitgezien dan nu. Mmm, misschien had die jonge vrouw hun van vorm zien veranderen. Dat zou haar panische gedrag tot op zekere hoogte verklaren.
"Hoor eens Zor", zei Bogal, "Hoe lang wou je nog toezien dat deze mensen met ons sollen?"
Zoryq kreeg niet eens de gelegenheid om te antwoorden. De jonge agent draaide zijn hoofd naar Zoryq en Bogal en zei:
"Willen we verder niet praten?"
"Die gast kent zijn moedertaal niet", zei Bogal, "Natuurlijk willen we verder wel praten. Ik bedoel, waar hebben we anders onze stembanden voor gekregen? En wat moeten we in vredesnaam antwoorden op die vraag? Ja of nee? Of was het zo’n onduidelijke retorische vraag? Moeten politie-agenten niet juist alle verwarring zien te voorkomen? Wat..."
"Nog één woord en..."
Nu kreeg de jonge agent op zíjn beurt niet de kans zijn zin af te maken (wat hem bijzonder goed uitkwam, want hij wist volstrekt niet welk dreigement in deze situatie geoorloofd was). Zoryq viel hem in de rede:
"En wat? Ga je slaan? Dat mag niet..."
De oudere agent sprak, zonder zijn blik van de weg af te keren:
"Je mag ze gerust slaan. Ik ben getuige. De arrestanten probeerden hun arrestatie te verijdelen en mijn collega was genoodzaakt zich te verweren."
"Zie je", zei Zoryq, "zo knappen die lui dat op. Liegen en bedriegen."
Nu wou het geval, dat de jonge agent problemen had met zijn vriendin. Altijd als hij zin had in sex, had zij er zogenaamd juist géén zin in. Alleen als hij doodmoe thuiskwam van zijn werk, had zij zogenaamd opeens zin. Dan kon hij ‘m nauwelijks overeind krijgen en werd zij zogenaamd boos. Dit alles irriteerde de jongeman zo ontiegelijk, dat hij al weken rondliep met bijzonder agressieve gevoelens. Aangemoedigd door de opmerking van zijn oudere collega sloeg hij Zoryq op zijn allerhardst in het gezicht. Er gebeurde alleen iets vreemds. Toen hij zijn vuist weer uit het gezicht van Zoryq wilde verwijderen, bleek deze eraan vast te zijn geplakt. De agent trok, maar zijn hand blééf vastzitten aan Zoryq’s gelaat.
"Hans!", schreeuwde hij, "Hans! M’n hand!"
"Ja wat nou", reageerde de oude agent, wederom zonder zijn blik van de weg af te wenden, "Kijk dan ook een beetje uit."
"Ik heb nogsteeds m’n handboeien aan", zei Zoryq op vriendelijke toon, daarmee op niemand’s vraag antwoord gevend.
"Nee", brulde de jonge agent, "Je begrijpt ’t niet. Ik krijg m’n hand niet meer terug!"
"Wat???"
‘Hans’ bracht de auto hardhandig in de berm tot stilstand.
Op dat moment liet Zoryq de hand van de jonge agent los. ‘Hans’ keek enige tijd naar zijn jonge collega, schudde vermoeid z’n hoofd en reed zwijgend naar het politie-bureau.
Zoryq en Bogal werden in verschillende cellen geplaatst. Een agent kwam de kleine cel van Bogal binnen en nam plaats aan het enige meubelstuk in het zo ongezellig gedecoreerde vertrek: een tafeltje.
"Kunt u mij vertellen wat er vanavond in uw optiek is voorgevallen?"
Bogal keek de agent aan.
"In mijn optiek doet u te weinig aan uw gezondheid. U stinkt uit uw muil als een pas opgegraven zombie en er zit ei van drie dagen geleden in uw oerlelijke snor. Verder bent u in mijn bescheiden optiek de meest irritante mens op aarde en komt u wat mij betreft in aanmerking voor de prijs voor de grootste zakkenwasser die ooit het daglicht mocht aanschouwen."
"Goed, als het zó moet..."
De agent stond weer op. Bij de deur van de cel aangekomen haalde hij zijn overbeladen sleutelbos tevoorschijn. Waar was in godsnaam het sleutelgat gebleven? In verwarring betastte de man de celdeur.
"Iets kwijt?", vroeg Bogal.
De agent antwoordde niet. Het angstzweet brak hem uit. Dit kon gewoonweg niet. Niet alleen het sleutelgat was verdwenen, er was helemaal geen sprake meer van een deur. De agent draaide ten einde raad zijn hoofd naar Bogal, in de vage hoop daar ergens een deur aan te treffen. Ook van Bogal was op dat moment geen sprake meer. Op het tafeltje stond een bloempot, met daarin een kleine gatenplant.
"Shit", zei de agent.
"Ik heb zojuist een gedicht verzonnen", antwoordde de gatenplant.
"Wat? Hoe..."
De gatenplant sprak op theatrale toon:
"Een verlaten dal, grasgroen en sereen,
vader, stuur daar je dochter heen.
Opgemaakt voor een huwelijk met een man,
die niet weet wat een belofte vermogen kan,
zal ze uit de amaniet happen
en pardoes uit het leven stappen."
Verbijsterd keek de agent naar de gatenplant en zag hoe een groot groen blad voor zijn ogen uitrolde. Het blad glom majestueus in de neon-verlichting. Kon één blad zóveel gaten bevatten? vroeg de arme agent zich af. Dat was toch niet normaal? In hoog tempo groeide de gatenplant. Blad na blad verscheen aan de stengel, die inmiddels zo dik als een enkel was. Al gauw drukte de gatenplant de gillende agent tegen de muur.
In de gang waar de cellen op uitkwamen liepen twee agenten. Zij hadden net een kopje koffie gehaald uit de automaat. Avonddienst was best te harden, waren zij het eens, als je maar van tijd tot tijd een kopje automaat-koffie kon halen. Zij hoorden duidelijk gegil uit één van de cellen komen.
"John", zei één van de agenten, "Die heb zo zijn eigen methodes om arrestanten te ondervragen."
Ze moesten lachen. De lach verdween echter even snel van hun respectievelijke gezichten als hij gekomen was. ‘John’ kwam met een luid gekraak de gang invallen, daarbij de muur met zich mee nemend. Zijn hele lichaam was gehavend, alsof het als onderzettertje voor een overdreven rendabel gevulde afval-container had gediend. Geschokt keken de beide agenten in de cel, die inmiddels niet meer voldeed aan de veiligheidsvoorschriften. In de cel zat een klein meisje aan een lollie te likken. De agenten keken elkaar aan. De agent die ‘John’ had geheten kon toch moeilijk door dit meisje overmeesterd zijn. Ergens had het er alle schijn van dat ze deze avond geen gemiddelde avonddienst zouden draaien.
"Mama toe!", zei het meisje.
Overmeesterd door de overdosis schattigheid liep één van de agenten op het meisje af. Dat had hij nou niet moeten doen.
"En waar is je mama dan?", vroeg hij inmiddels hurkend naast het meisje.
Het kleine meisje legde haar handje op het gezicht van de agent. De man wist niet precies hoe hij hier op moest reageren. Het voelde ergens wel prettig. Veel tijd om over deze kwestie na te denken werd hem niet gegund. Het handje ging als een volwaardige keukenmixer ronddraaien en doorboorde het hoofd van de agent. Het meisje keek glimlachend door het hoofd heen naar de andere agent, die niet wist hoe snel hij weg moest komen.
"Moedeeeer!", schreeuwde hij al rennende door de gang.
Zoryq, die de bui al had zien hangen, stond helaas voor de nog levende helft van het koffie-halende duo in de gang zijn nagels schoon te maken.
"Haast vriend?", vroeg hij aan de agent, die minstens een meter doorgleed over het linoleum bij zijn poging tot stilstand te komen. Snel draaide hij zijn hoofd naar Zoryq en richtte zijn pistool.
"Wie bent u? Handen omhoog! Help!"
"Wat is dit... een quiz?", vroeg Zoryq.
De agent zag vervolgens hoe het meisje uit de cel kwam. Op wie moest hij zijn pistool richten? Dan maar van de één naar de ander en terug. Het kleine meisje was duidelijk niet onder de indruk.
"Staan blijven! Staan blijven of ik schiet!"
"Schiet", zei het meisje, "maar schiet wel op."
En de man schoot. Hij was van plan beide verdachten dan maar in de benen te schieten, zoals ze hem op de academie hadden geleerd, maar verder dan één schot kwam hij niet. Hoewel politie-wapens over het algemeen van een uitstekende kwaliteit zijn, schoot het wapen in kwestie de kogel de verkeerde kant uit, daarmee allerlei natuurwetten in hun hemd zettend. De kogel doorboorde het arm, dat het pistool had vastgehouden. Dit veroorzaakte zo’n ondraaglijke hoeveelheid pijn dat de agent in kwestie het bewustzijn verloor. Bogal nam zijn oude gedaante weer aan. Samen liepen de twee verdachten richting de voordeur van het politie-bureau, waar een receptionist zijn taak vervulde. De man, die een jaar of vijftig moest zijn, was op dat moment verdiept in een nationaal blootblad.
"Wat een rare borsten", zei Bogal, die over de schouder van de portier meekeek.
"Nou, dat vind ik nog wel... en wie bent u?", antwoordde de man.
"Ik ben Bogal, een ontsnapte arrestant. Tevens heb ik de vrijheid genomen enige vacatures binnen dit bureau te scheppen."
De portier drukte op een knop, waardoor de automatische glazen schuifdeuren geblokkeerd werden. In het verleden had dit nog wel eens zijn nut getoond, wanneer een onverlaat het bureau op ongeoorloofde wijze had willen verlaten.
"Idioot", zei de portier.
Hij haalde zijn dienstrevolver tevoorschijn en richtte deze op Bogal.
"Ze zijn hier wel trigger-happy zeg", merkte Zoryq op, "Het lijkt waarachtig wel alsof we in één of andere oude politie-serie terecht zijn gekomen..."
"Baretta Kojak Starsky & Hutch Derrick A-Team Hawaii 5-O Bionic Austin?" voegde Bogal geheel overbodig toe.
En wederom stond een goed getrainde agent voor het onmogelijke dilemma: één wapen, twee verdachten. Om de strijd te beslechten stapte Zoryq door de glazen deur heen naar buiten. De portier schoot, maar werd al snel herinnerd aan de juiste betekenis van ‘kogelwerend glas’.
"Dan ga ik ook maar eens", zei Bogal.
"Blijft u godverdomme staan, klootzak!"
De portier stond woest op, waardoor het blootblad op de grond viel en de dame-van-de-maand de vloer decoreerde.
"Wat ik je zeg: rare borsten", zei Bogal, "Ik zou er in geen geval op vallen. Maar goed, als je mijn advies wilt negeren, ga vooral je gang!"
En de portier, die net op Bogal af wou stappen, struikelde en viel met zijn hoofd op het blootblad. Ongehinderd stapte Bogal vervolgens door het kogelwerend glas heen.