Door de veelheid van indrukken voelde Quint zich verward. Maar het panische stadium was hij gepasseerd. Imogeen was weg, dat kon niemand ontkennen. En dit keer was ze niet mee met een stelletje amateur-astronomen in een busje. Ze was gewoon foetsie. Misschien wel dood. Hij kon alleen hopen dat hij haar snel genoeg terug zou vinden. Een waarzegster raadplegen zou misschien niet veel goeds uithalen, maar je kon het nooit weten. De auto snorde over het asfalt. Het beloofde een mooie dag te worden. De zon brak weer door en was druk doende de laatste vlagen ochtendnevel weg te jagen. Quint had de avond daarvoor het boek gelezen en was een wijzer mens. ‘Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt’ had hem hardhandig gewezen op de nietigheid van zijn bestaan. Goed, dat was een cliché wat het boek niet de eer aandeed die het verdiende, zo moest Quint zichzelf bekennen. Maar het was een onderdeel van wat er gisteren met hem gebeurd was toen hij het boek nauwgezet had gelezen. Hij was inderdaad op de nietigheid van zijn bestaan gewezen. Wat was hij? Een bankmedewerker wiens gezinsgrootte alleen maar afnam, op het moment verwikkeld in een imbeciele samenloop van omstandigheden die hij niet meester was. Hij had gehoopt een aanwijzing te vinden in het boek. Iets waardoor hij zijn dochter zou kunnen terugvinden. Maar hij had geen aanwijzing gevonden. Achter elke pilaar had hij weliswaar een schim zien staan, maar steeds was het zijn eigen schaduw geweest. Het boek was een spiegel.
Miss Caro Lasca woonde in één van die dorpjes, waar wat gepensioneerde boeren werden vergezeld door tandartsen en pathaloog-anatomen. Iedereen kende iedereen en er was maar één kruidenier, die een voor stadsbegrippen ridicuul prijzensysteem hanteerde. Quint reed niet harder dan 20 kilometer per uur, uit angst een kip of een spelend kind aan te zullen rijden. Miss Caro Lasca had over de telefoon verteld dat ze in een groot huis woonde, wat aan de rechterzijde van de Dorpsstraat gesitueerd was bij binnenkomst van uit het zuiden. Hij zag het huis, hij kon het niet missen. De auto kon hij aan de kant van de weg parkeren. Quint stapte uit en sloeg het huis met interesse gade. Het enorme gebouw had veel weg van een kasteeltje, hetgeen nog benadrukt werd door de aanwezigheid van een kleine toren en een enorme tuin, die duidelijk goed onderhouden werd. Het huis lag ver verwijderd van de weg en kon benaderd worden via een lang pad. Miss Caro Lasca had kennelijk geen financiële zorgen, concludeerde Quint. Hij liep over het pad en passeerde een zwijgende tuinman, die bezig was enkele bladeren van het gazon te verwijderen. Quint verbaasde zich over de fleurige staat waarin de tuin verkeerde. De meeste mensen hadden in december de grootste moeite hun tuintje enigszins toonbaar te houden. Deze tuin had het natte zee-klimaat echter naar alle waarschijnlijkheid vriendelijk doch dringend verzocht zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Quint arriveerde bij de deur en drukte op de bel. Diep in het huis klonk een drie-tonige gong, de combinatie van tonen was exact die van de franse spoorwegen. Quint’s gedachten dwaalden af naar de laatste zomer die Iem en hij in Frankrijk hadden doorgebracht. De geuren van deze tuin versterkten zijn herinnering, hij rook duidelijk de thijm en majoraan. Voor een kort moment was hij even helemaal terug in de Cevennen. Hij miste die aangename droogte, en herinnerde zich hoe mooi Iem er uit had gezien toen ze een keer gingen zwemmen en ze op de rivier-oever bam-zaaiden met steentjes die er lagen. Ze was onweerstaanbaar mooi met de zon op haar natte huid. Quint werd uit zijn flashback gewekt door voetstappen. De deur werd geopend en een bediende groette hem.
"Volgt u mij... Miss Caro Lasca zal u dra ontvangen..."
Wat een ouderwets gedoe! Maar ja, als hij op deze manier zijn dochter zou terugvinden zou hij Miss Caro Lasca voor altijd dankbaar zijn. Quint werd door de bediende in een kleine salon achtergelaten met de mededeling dat zowel Miss Caro Lasca als de thee binnen enkele ogenblikken tot zijn beschikking zouden zijn. Miss Caro Lasca beet de spits af. Ze kwam de salon binnen door een grote houten deur, waar Quint met enige bezorgdheid net allerlei symbolen in had ontwaard. Miss Caro Lasca zag er verbazingwekkend gewoon uit. Ze had een vrolijke bloemetjes-rok aan en zag er ongeveer zo uit als de moeders die Quint wel eens tegenkwam op de ouderavonden van zijn dochter. Absoluut geen waarzegster.
"Hallo", zei Miss Caro Lasca, "Ik hoorde van Marga dat je je dochter kwijt bent geraakt en je vraagt je af of ik haar terug kan vinden, nietwaar?"
Zo zo, dus Marga had de vrijheid genomen Miss Caro Lasca over het gebeuren in te lichten. Quint probeerde Miss Caro Lasca beleefd een hand te geven, maar zij accepteerde de hand niet.
"Dat eh... dat klopt", zei Quint.
"Welnu", vervolgde Miss Caro Lasca, "Vanmorgen ontving ik dit mooie beeldje bij de post. Wat vindt u ervan?"
Ze overhandigde Quint het beeldje. Hij bekeek het aandachtig, niet wetend wat hier de bedoeling van was. Door het beeldje te beroeren krummelde er een fijn wit poeder vanaf.
"Het is erg mooi", zei Quint, die het erg lelijk vond.
"Dat lieg je", zei Miss Caro Lasca, "Maar dat zou iedereen in jouw plaats gedaan hebben. Het kon mij ook niets schelen wat je van het beeldje vindt... ik wou alleen uitproberen of je het van mij aan wou pakken. Je hebt zout geaccepteerd binnen de cirkel van mijn woning, en dus ben je van goede doen. Nu weet ik zeker dat we vrienden zullen worden!"
Ze pakte het beeldje van hem terug en liet het op de grond vallen. Het viel direct uiteen tot een hoopje keukenzout. Quint, die zelf maar matig bijgelovig was en hooguit weigerde onder ladders door te lopen op vrijdag de dertiende, was er niet zeker van of hij wel vrienden met Miss Caro Lasca wou worden. Hij wou alleen zijn Imogeentje terug, om haar nooit meer te verliezen.
"Schat", zei Miss Caro Lasca, "Je komt hier alleen als vriend of vijand binnen. En aangezien je geen vijand bent, ben je een vriend. Goed. Ter zake. Mijn honorarium is je bekend?"
"Het eh... Ik geef alles om mijn dochter terug te krijgen, maar ik ben maar een simpele bankmedewerker. Marga heeft het niet over geld gehad."
"Wel wel", zei Miss Caro Lasca met een zeer brede glimlach, "Koop nooit een waar zonder te weten hoeveel er voor gedokt moet worden. Mijn honorarium pas ik aan aan de klant. Laten we zeggen dat je mij vijfhonderd harde Nederlandse florijnen overhandigt als we samen jouw dochter terugvinden. Levend... maar ook als ze is heengegaan. Okay?"
"Okay, dat klinkt redelijk"
"Mijn werkwijze is waarschijnlijk niet wat je in gedachten zult hebben. Er komen vaak mensen om mijn advies vragen en ik heb met de jaren een werkwijze ontwikkeld die zeer veel succes met zich meebrengt. Ik ben ervan overtuigd dat mensen veel meer weten dan zij zich op een willekeurig moment kunnen herinneren. Marga heeft me jouw verhaal al min of meer verteld. In eerste instantie denk ik dat er allerlei kleine aanwijzingen zijn die in een bepaalde richting wijzen. Die aanwijzingen zitten nu in jóuw hoofd. Door daar te zoeken komen we misschien waar we wezen moeten. Maar misschien ook niet. Als we er niet komen, dan zullen we iets anders moeten proberen. Ik hoop echter dat dit niet nodig zal blijken te zijn. Is het een beetje duidelijk?"
Quint was door de woordenvloed van Miss Caro Lasca een beetje van zijn stuk gebracht. Hij had andere ideeën gehad over het raadplegen van een waarzegster.
"Ik ben dan ook geen waarzegster", zei Miss Caro Lasca, Quint recht in z’n ogen kijkend.
Quint was overtuigd van de eerlijkheid van Miss Caro Lasca. Hij wist niet precies waarom, maar ze had zijn gedachten geraden en ze straalde een zekerheid uit. Ze had tenminste een plan. Hij niet.
"Akkoord", zei hij, "Wat moet ik doen?"
"We gaan naar mijn werkkamer en daar praten we verder. Maar eerst is er thee!"
Op dat moment kwam de bediende binnen met een theetafel op wieltjes. Quint dronk ruim een half uur lang thee met Miss Caro Lasca. Het was een kruidige thee, die gedecoreerd werd door schijfjes van limoenen en bladeren van de muntplant. Quint voelde zich met de minuut beter en zekerder. Miss Caro Lasca zou hem helpen Imogeen terug te vinden. Ze praatten over het weer en over werken in de tuin. Op één of andere manier bezat Miss Caro Lasca de gave het gesprek geheel in een bepaalde richting te laten verlopen. Geen moment werd er gepraat over Imogeen of over wat ze zometeen zouden gaan doen. Toen Quint zijn tweede kop thee op had zei Miss Caro Lasca plotseling:
"Aan het werk."
Quint volgde Miss Caro Lasca slaafs naar een vertrek dat zij haar werkkamer noemde. Het was een duister vertrek, slechts verlicht door enkele kaarsen op rijkelijk versierde bronzen kandelaars. Op een leesplank lag een groot zwaar boek, waar Quint de naam niet van kon zien. Eén wand van het vertrek werd in zijn geheel afgedekt door een enorme boekenkast. De meeste boeken deden oud aan. Miss Caro Lasca wees naar een met fluweel beklede sofa.
"Ga lekker liggen, dan beginnen we met de inwijding".
Quint nam plaats op de sofa en keek nog eens om zich heen. De omgeving slingerde voor zijn ogen heen en weer. Hij voelde zich nu al heel vreemd en licht in zijn hoofd worden. Zou Miss Caro Lasca iets in de thee hebben gedaan? Quint had de thee lekker maar enigszins verwarrend gevonden. De smaak was bij elke slok anders geweest.
"We gaan nu samen een reis maken in jouw hoofd. We zullen dingen aantreffen die je misschien niet koestert als warme herinneringen. Ook komt het wel eens voor dat mijn bezoekers juist iets uit hun jeugd terugzien, wat ze heel prettig stemt. Hoe het ook zij, wat we gaan doen is niet geheel zonder gevaar. Als bepaalde gedachten je na vandaag niet meer loslaten verwacht ik van je dat je weer bij me terugkomt. Je hebt nu nog de mogelijkheid op te stappen. Alles wat je vandaag beleeft is puur uit vrije wil. Heb je dat heel goed begrepen?"
Quint beaamde dit.
"Dan gaan we nu beginnen. Sluit je ogen en luister naar mijn stem. Probeer verder nergens aan te denken, hoe moeilijk dat ook lijkt".
Miss Caro Lasca stootte minutenlang vreemde klanken uit. Het geheel hield het midden tussen zingen en praten. Quint luisterde aandachtig naar haar stem en begon een scala aan kleuren waar te nemen. Eerst was er geen enkele samenhang te bespeuren in deze kleurenmassa, maar met het verstrijken van de tijd zag hij menselijke gezichten ontstaan. Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje.... zijn grote liefde, Sarah... Imogeen... Met een lichte benauwdheid besefte Quint zich dat hij geen enkel contact meer had met zijn omgeving. Hij rook niets, hij hoorde de stem van Miss Caro Lasca niet meer en het vreemdste was dat hij zijn lichaam niet meer voelde. De kleurige vlekken veranderden in een groen geheel, dat steeds meer vorm begon aan te nemen. En toen zag hij wat hij zich al die jaren niet had willen herinneren. Het park. Hij had het uit zijn hoofd gebannen, had geleerd ‘nee’ te zeggen tegen de opkomende gedachte, de walging van die ene herinnering. En nu was hij weer daar. Had dit zin? Wat had dit met Imogeen te maken? Wat was hij geweest? Negen? Tien? Hij was weer een kleine jongen in een park, vlakbij zijn ouderlijk huis. Mama had gezegd dat hij om zes uur thuis moest zijn om te eten. Hij was lopend naar het park gegaan. En daar stond hij op de enige weg dwars door het park, kleine steentjes onder zijn schoenzolen. Het was een warme dag, woensdag, want hij had ‘s middags vrij gehad. Zijn beste vriend van school had iets met zijn voetbalclub die middag, anders was hij wel met hem mee naar huis geweest. In het park zocht de jonge Quint naar... ja, waar zocht hij eigenlijk naar? Naar alles wat niet de gewone saaie lijnen volgde. Het liefst zou hij een weerballon vinden, één die uit de lucht was gevallen! Zomaar een onbemande weerballon voor hem... wat zou dat spannend zijn! In de straten zou iemand anders de weerballon vinden, maar hier in het park zou hij de eerste zijn. Er was helemaal niemand anders in het park op die woensdagmiddag, meende Quint te kunnen constateren. Hij verliet het pad en wandelde over het grasveld naar de sloot. De sloot was helemaal dichtgegroeid door waterplanten. Ze hadden het op school gehad over eenden, die in de sloot hun kop onder het water steken op zoek naar voedsel. Hier waren geen eenden te zien. De sloot liep langs de dijk, en ging door in het kleine bos dat begon waar het grasveld ophield. Quint liep het bos in en volgde de sloot. Het was hier erg donker en van tijd tot tijd moest Quint een spinneweb uit zijn gezicht vegen. Nee, dit was geen goed idee. Hij kon beter teruggaan. En toen was daar opeens een hand, die zich om zijn keel sloot. Quint probeerde het uit te schreeuwen, maar er kwam slechts een zacht gepiep uit zijn keel. Hij probeerde zijn hoofd te draaien om te zien van wie de hand was, maar hij kon zijn nek niet bewegen. De hand was zo verschrikkelijk groot en sterk. Hij kon niets doen! Het angstzweet brak Quint uit. Zou dit het einde zijn? Een tweede hand verscheen en begon Quint’s broek los te maken. Voor Quint het goed en wel door had stond hij met ontbloot onderlijf in het park. Tranen schoten in zijn ogen en hij had vreselijk spijt dat hij vanmiddag alleen naar het park was gegaan. Quint trilde en voelde zijn lichaam slap worden. De hand die zijn keel dichtkneep versoepelde iets, en Quint schreeuwde het uit. De hand kneep zijn keel direct weer dicht en het werd Quint zwart voor zijn ogen.
"En wat gebeurde er daarna?", vroeg de stem van Miss Caro Lasca.
Quint dacht na. Hij had het hele gebeuren in het park voor zichzelf kunnen houden. Quint-de-jongen maakte geleidelijk aan plaats voor Quint-de-man, en dit was mede vanwege het voorval in het park een uiterst verwarrende tijd voor hem. Om hem heen kregen de jongens vriendinnen, maar hij was verdrietig, de outcast, de jongen met het grote geheim. En hij begreep wat de man in het park had gedaan en het achtervolgde Quint in zijn dromen. Op de basisschool werden de veranderingen in zijn persoonlijkheid wel waargenomen, maar die werden terzijde geschoven als zijnde de puberteit. Het woord alleen al had Quint mateloos geïrriteerd. Puberteit, pfah! Het onderzoeken van de sexualiteit. Hij was al betrokken geweest in een sexuele activiteit.
Miss Caro Lasca had die ellendige gebeurtenis weer in zijn herinnering teruggebracht. Quint opende zijn ogen en bemerkte dat hij had gehuild. Miss Caro Lasca keek hem meelijdend aan.
"Rustig maar", zei ze, "Het was allemaal een herinnering. Iets van jaren geleden. Het spijt me dat ik het boven heb gebracht... het heeft niets met je dochter te maken... en ik ben bang dat we deze methode moeten later voor wat ’ie is. Wil je nog iets anders proberen of... of zullen we er maar mee stoppen? Ik ben niet beledigd hoor... als je nu wilt stoppen. Begrijp het best..."
"Nee", zei Quint, "Weet je... toen ik Sarah ontmoette was zij mijn eerste vriendin. En Imogeen is voor mij het levende bewijs dat ik niet overal tegen een gesloten deur oploop. Sarah leeft in haar door. Ik móet haar terug, Imogeen is alles voor mij! Zonder haar heeft mijn leven geen zin. Die man in het park heeft mij gemold, mijn leven totaal door de plee getrokken. Ik had alle hoop al opgegeven, en toen was Sarah daar, uit het niets. En ze zei: ik ben er voor je, ik vind je leuk. En we kregen een kind, mijn enige kind, mijn Iempje, mijn..."
"Ssjjt, rustig maar. Ik begrijp het. We zullen contact zoeken met mijn tweelinggeest Uzino. Hij zal ons zeggen waar je dochter is."
Miss Caro Lasca was bezig met een ingewikkeld en in de ogen van Quint onzinnig ritueel om haar tweelinggeest Uzino aan te roepen.
Ze gebruikte als communicatie-middel een pak Tarot-kaarten, waardoor Quint’s vertrouwen in de zaak een ongekend dieptepunt bereikte. Tarot-kaarten, dat konden al die para-lui toch niet serieus menen? De symboliek van de kaarten was zó vaag, dat je er altijd alles wel uit kon lezen. Nee, hij was benieuwd wat Miss Caro Lasca nu weer in petto had. Vast niet veel goeds. Om de sfeer aan te passen aan de ‘heiligheid van het moment en uit eerbied voor Uzino’, had Miss Caro Lasca de kamer zo veel mogelijk verduisterd. In een antieke en foeilelijke wierookhouder brandde een stengel wierook, waardoor de vage geur van orchideeën de kamer vulde. Quint, die nooit had gerookt en op zijn werk ook altijd een pesthekel had aan rokers, vond de wierook een onfrisse bedoening en hij begreep niet wat het aanroepen van Uzino, een onstoffelijk wezen, in vredesnaam te maken had met het in de fik steken van een stengel wierook. Miss Caro Lasca daarentegen ging helemaal op in haar ritueel en brulde de ene onbegrijpelijke kreet na de andere. En opeens werd ze stil. Quint kon haar theatrale kwaliteiten niet ontkennen. Miss Caro Lasca pakte een kaart uit de stapel die voor haar lag.
"De ‘Blasted Tower’", sprak zij met afgrijzen in haar stem.
"En wat dat betekent dat?", speelde Quint met haar mee.
"Ssst!!", maande zij hem tot stilte, "Uzino is erg ongeduldig! De ‘Blasted Tower’ staat voor een plotseling sterven. Ik vrees het ergste..."
Ze sloot haar ogen en hief haar armen richting het plafond. Met haar ogen nogsteeds gesloten pakte zij de volgende kaart uit de stapel. Het was de ‘Prince of Swords’. De kaart, die draait om de aanwezigheid van een jonge man. En niet zomaar een jonge man, nee, één met ideeën. Een man die creëert en doodt met woorden, naar zijn eigen goeddunken. Een man, die nieuwe gedachten lanceert en daarmee iedereen tegen zich in het harnas jaagt. Miss Caro Lasca zou nooit weten hoe dicht ze met deze Tarot-kaart bij de werkelijkheid was aangeland. Want het was deze ‘Prince of Swords’, grootgebracht onder unieke omstandigheden, die de aanleiding was geweest voor het verdwijnen van Imogeen. Het kon hem echter moeilijk ten laste worden gelegd. Het was een jongeman, die geen genoegen nam met de wereld om hem heen. En deze jongeman had een boek geschreven. De tekstverwerker was zijn ‘Sword’. Miss Caro Lasca, die niet de meest elastische geest op aarde bezat, was ervan overtuigd dat de ‘Prince of Swords’ de rechtstreekse moordenaar van Quint’s dochter moest zijn. Juist toen zij deze kortzichtige visie aan Quint wou gaan uitleggen doofden de wierook en de kaarsen. Het vertrek, waar Miss Caro Lasca en Quint zich in bevonden, bevatte op dat moment een bijzonder ongezond zuurstof-gehalte. Quint hoorde zijn oren ruisen en snakte naar adem. Hij zag hoe Miss Caro Lasca als een pasgeboren baby over de vloer kroop. Het leek waarachtig wel alsof ze met iemand praatte.
"Nee, ga weg!", schreeuwde ze, "Ik heb je niets misdaan!"
Quint kroop naar de deur. Of ze hem nou bedoelde of niet, hij moest hier weg. Het gebrek aan zuurstof begon hem parten te spelen. De deur ging met een klap open en raakte Quint hard tegen zijn hoofd. Het was de tuinman, die Miss Caro Lasca nog nooit op deze wijze had horen gillen en zich dan ook ernstige zorgen maakte.
"Wat is hier gaande?", schreeuwde hij naar Miss Caro Lasca, die inmiddels hijgend op haar rug lag en met alle ledematen in de lucht wees. Quint, die op dit moment nog het meeste belang hechtte aan de frisse zuurstofrijke lucht die door de deur naar binnen vloog, zag hoe de tuinman door een stroom van licht een paar meter naar achteren werd geslagen. Als een overrijpe appel spatte zijn hoofd uiteen op de muur in de gang. Het had er alle schijn van dat één of andere entiteit geen behoefte had aan het gezelschap van de tuinman. Miss Caro Lasca keek met grote ogen naar het gebeuren. Toen sprak een stem:
"Zoek een andere hobby, mens. Deze zaak gaat niemand wat aan."
Quint zag niet waar de stem vandaan kwam. Als dit een truc was, dan beschikte Miss Caro Lasca beslist over een indrukwekkende Hifi stereo-installatie. Quint schrok toen de stem verder sprak:
"Het is spijtig dat het meisje er bij betrokken is geraakt. Ik sta nu eenmaal niet in voor mijn onderdanen. De zaak is van een groter belang."
Miss Caro Lasca huilde als een kleine baby toen daar in de kamer plotseling het beeld verscheen van een man, aan weerszijden geflankeerd door een hond. De man was groot en gehuld in een statig bruin gewaad. Eén van de honden blafte in de richting van Miss Caro Lasca en de verschijning verdween weer. Miss Caro Lasca lag op de vloer en ademde langzaam. Het gebeuren was haar teveel geworden en ze had het bewustzijn verloren. Quint voelde een overweldigende misselijkheid in zich opkomen en verliet het vertrek. In de gang lag nogsteeds de tuinman, of althans wat er van hem over was. Het ging hier duidelijk niet om een truc. Met make-up kreeg je nu eenmaal niet zo’n overtuigend eindresultaat. Vol walging rende Quint het huis uit, naar zijn auto. Wat moest hij doen? De politie bellen? Alweer? Zijn hart dreunde in zijn hoofd door de klap van de deur. Quint reed als een bezetene terug naar de stad, teleurgesteld door het gebeuren bij Miss Caro Lasca. Het was fout geweest naar zo’n para-mens te gaan. Hij had er vantevoren niet in geloofd, en nu geloofde hij er zo mogelijk nog minder in. Tóch kon hij niet ontkennen dat er bij het aanroepen van ‘Uzino’ iets was voorgevallen. De stem had gezegd:
"Het is spijtig dat het meisje er bij betrokken is geraakt. Ik sta nu eenmaal niet in voor mijn onderdanen. De zaak is van een groter belang."
Quint vroeg zich af wat hij hieruit kon opmaken; Imogeen was ergens bij betrokken geraakt. Dat zei nog niet dat ze dood was. Onderdanen... dat klonk als iets misdadigs. Misschien was ze gegijzeld? Een paranormale juffrouw had vaag en in de verte íets aangevoeld. Iets. Iets juists. Maar dat was niet de methode om de zaak op te lossen. Hij moest Imogeen redden. Maar hoe? De detective van Sjef inschakelen? Ja, dáár had hij nou wel vertrouwen in. Feiten. Niet van die para-onzin. Pff, flauwekul. Miss Caro Lasca? Miss Para Blabla. Ze zochten het ook maar uit. Imogeen, daar ging het nu om. Met nieuwe energie in zijn lijf zoefde Quint door de straten op weg naar huis. Nog nooit parkeerde hij de auto zo net en recht in de garage.
Quint stond voor het raam en keek naar buiten. Ruim twee jaar geleden had hij twee vrouwen in huis gehad, Sarah en Imogeen, en nu stond hij er opeens alleen voor. Hij begreep er niks van. Waar bleef Imogeen? De afgelopen dagen had hij steeds in stilte gehoopt dat ze gewoon thuis zou komen. Er opeens weer zou zijn. Gewoon, zomaar. In het boek dat hij de vorige avond in zijn geheel had doorgelezen op zoek naar een aanwijzing, had de schrijver geageerd tegen het woord ‘gewoon’.
Is het u wel eens opgevallen dat iedereen die ’t woord ‘gewoon’ gebruikt, het heeft over iets wat juist niet gewoon is?
Nee, het zou niet gewoon zijn als ze nu opeens binnen zou slenteren of ‘gewoon’ op haar kamer zou zijn. Wat altijd gewoon was geweest, was nu ongewoon. Niets in zijn leven was... gewoon. Hij had de kleine dingen nauwelijks gewaardeerd toen ze er ‘gewoon’ waren geweest. Die kleine momenten met zijn dochter. Als ze heel erg vrolijk was, en het er voor een klein moment niet toe leek te doen dat Sarah overleden was. Uit hun leven weggerukt door een stom ongeval. Hoe was het mogelijk, dacht Quint, dat één man eerst zijn vrouw en dan zijn dochter kwijtraakt? Dat was statistisch gezien nauwelijks geloofwaardig. Waarom was er zo iemand als Sjef, die een vrouw en twee dochters had, en waar nooit iets mee aan de hand was? Terwijl Sjef helemaal niet aardig was. Sjef zat bijvoorbeeld achter de veel jongere secretaresse aan. Onophoudelijk zat hij te zeuren over haar mooie ogen. Toen Sarah er nog was geweest, had Quint niet eens ooit de behoefte gehad naar een andere vrouw te kijken. Sarah was zijn geschenk uit de hemel geweest. En Imogeen was hun elfenkind geweest.
"Ze komt niet terug", zei hij hardop.
Polizei antwoordde met een klagend gemiauw. Misschien mist Polizei haar ook wel, dacht hij. Imogeen mocht graag met de kat vrijen. Hij griste het kaartje van Sjef uit het borstzakje van zijn overhemd en bestudeerde het telefoonnummer. Als je alle cijfers bij elkaar optelde kwam je uit op... negen.
"Detectivebureau King Kong", zei een meisjesstem.
De stem kwam hem ergens bekend van voor, maar hij wist het niet zeker. Over de telefoon klonken mensen vaak anders dan in levende lijve.
"Oh hallo, met Fedex", zei Quint, "Ik zou graag willen dat u mijn dochter opspoort. Ze is enkele dagen geleden verdwenen en..."
"Ik zal u even doorverbinden, momentje..."
Ruim een minuut moest Quint luisteren naar een monofone versie van ‘Für Elise’, die door detectivebureau ‘King Kong’ als ‘on-hold’ muziekje werd gebruikt.
"Bartels", zei een stem.
"Hallo, met Fedex. Mijn dochter is eh... is verdwenen en ik wil haar graag terugvinden. Kunt u mij helpen?"
"Als iemand haar kan terugvinden ben ik het."
Een stem waar geen twijfel in te horen viel, dat was waar Quint op dit moment meer dan wat dan ook naar op zoek was.
"Oh, wel... ik ben hier niet ervaren in... wat is nu precies de bedoeling? Moet ik zeggen..."
"Welnee kerel, we maken een afspraak op mijn kantoor. Laat mij even in klapper kijken... morgen zou kunnen... morgen?"
"Ja prima. Hoe we... hoe laat... dan?"
"Tien uur stipt. ‘s Morgens. Ik noteer u voor tien uur, afgesproken?"
"Fijn, bedankt dat u zo snel beschikbaar bent."
"Het is niets. Ik zie u morgen. Tot ziens"
Quint kon niet onderdrukken dat hij weer een sprankje hoop had gekregen. Marga bellen, was het eerste wat er in hem op kwam. Hij toetste haar nummer in.
"Met Marga..."
"Hoi, ja met mij... sorry dat ik je gisteren niet gebeld heb en..."
"Hee Quint hallo! Hoe is het?"
"Nou ja, dat met Miss Lasca heeft me een beetje verward maar ik heb nu een detective..."
"Hoezo verward? Ik belde haar vandaag op, en ze zei dat je helemaal niet was verschenen. Wat is er gebeurd dan?"
"Hè?"
"Ja, ze zei dat ze een afspraak met je had en dat ze een uur heeft gewacht. Had je wel het goede adres?"
Alsof de afgelopen dagen nog niet verwarrend genoeg waren geweest. Wat was dit nou weer?
"Nou", zei hij, "ik snap er helemaal niets van. Ik heb bij Miss Lasca op de bank gelegen enzo... en ze heeft wat met van die kaarten zitten klieren maar er is niet echt iets concreets uit tevoorschijn gekomen. Maar ik heb nu een detective..."
"Goh wat raar. Ze zei toch echt dat je niet was komen opdagen. Hé, ik geloof je op je woord. Het is maar een raar mens. Ik ken haar via mijn zus, weetje. Wat was er nou met die detective? Dat snapte ik nou nog niet helemaal..."
Omdat je me niet uit liet lullen, dacht Quint.
"Nou, ik heb een detective ingeschakeld. Tip van iemand op mijn werk. Ik ga er morgen naar toe. Klonk erg zeker van zijn zaak."
"Mmm, dat zegt nog niks. Doe je vanavond?"
"Hé, als je nou eens hier kwam? Gezellig... ik bedoel, alsjeblieft. Ik kan wel wat gezelschap gebruiken, weetje..."
"Nee lijkt me leuk. Zal ik nu direct komen of nog even wachten?"
"Als je nou over, zeg, drie kwartier komt, dan zorg ik dat ik wat eten heb. Je kunt Laura ook wel meenemen."
"Nou, dat weet ik niet..."
"Hoeft ook niet. En? Heeft ze nog wat gezegd?"
"Waarover?"
Waar-over, hallo!
"Over Imogeen..."
"Oh nee, ze is heel stil. Zegt met haar huiswerk bezig te zijn. Kweet echt niet wat er in haar koppie omgaat."
"Geeft ook niet. Zie ik je over drie kwartier!"
"Tot zo, Quint."
Het werd al maller; Een Miss Caro Lasca, die hij voor het laatst op haar rug had zien liggen snakken naar adem, en nu deed alsof hij niet langs was geweest. En Marga, die met haar gedachten alweer elders was. Alsof er niets aan de hand was. Alsof Imogeen er nog was en alsof ze geen sex hadden gehad! Oh alleen maar het intiemste wat er tussen twee mensen kon zijn, maar dat telde niet. Van Miss Lasca kon hij nog begrijpen, dat ze de goede naam van haar bedenkelijke praktijk hoog wilde houden en alles ontkende. Het lijk van de tuinman had ze waarschijnlijk in de diepvries gegooid of ergens in de achtertuin begraven. Maar waarom Marga nu opeens zo koel deed, dat vond hij maar raar. Het was toch prima geweest? Of was prima niet goed?
Het eten met Marga was heel ontspannend en gezellig. Quint was al helemaal vergeten dat hij haar als ‘koel’ had ervaren toen ze een paar uur daarvoor hadden getelefoneerd. Ze zaten naast elkaar op de bank naar de televisie te kijken, waar, zo moesten ze al zappend bekennen, niet veel te beleven viel. Hij legde zijn hand in haar nek en streek liefkozend over haar warme huid. Ze duwde zijn hand weg.
"Quint, alsjeblieft! Dat we zondag de liefde hebben bedreven wil niet zeggen dat we nu een liefdesrelatie hebben! Het was leuk en eenmalig, een experiment. Een spelletje als je het zo wil noemen. Ik bedoelde er niets mee."
"Moefppfnn.. neem me niet kwalijk", brabbelde hij. Hij kon dit nauwelijks bevatten. Twee dagen geleden had hij met zijn tong haar geslachtsdeel geëxploreerd, en nu mocht hij haar opeens niet meer aanraken? Ze had toch zelf gezegd, dat ze het eerder hadden moeten doen? Was hij nu een afgehandelde zaak, een gepasseerd station?
"Eerlijk gezegd begrijp ik er niks van", zei hij.
Ze keek hem aan, streng en serieus.
"En ik mis haar zo vreselijk", vervolgde hij.
Marga pakte hem vast en omarmde hem. Ze bleven zeker een half uur in elkaars armen verstrengeld zonder een woord te wisselen. Quint begreep, dat hij nooit iets zou begrijpen van vrouwen. Er was werkelijk geen peil op te trekken, maar misschien was dat nou juist wel het aardige. Nu ik dit begrijp, dacht Quint plechtig, zal ik een beter vader kunnen zijn. Ik zal Imogeen in het vervolg beter kunnen begrijpen, omdat ik weet dat ik niet alles van haar kan begrijpen. Hóef te begrijpen. Ik verdien het om haar terug te krijgen, eigende hij zich troostend toe.
Later die nacht had Quint een vreemde droom:
Hij stond in een park dat slechts tot op zekere hoogte overeenkwam met het park uit zijn jeugd. In zijn droom waren alle bomen in het park zilverkleurig, alsof de bladeren gesponnen waren uit fijne zilveren draden. Quint keek om zich heen. Er was een sloot naast de dijk. Het water in deze sloot was kristalhelder en scheen niet te stromen. Quint verliet het pad en liep naar de sloot toe. Van een afstand had het geleken alsof het wateroppervlak leeg was. Nu hij echter vlak naast de sloot stond, ontwaarde hij een kikker op een lelieblad. De kikker was bezig een kruis te graveren op een plaat koper. In zijn rechtervoorpoot hield hij een kleine graveerpen vast, waarmee hij langzaam maar met zekere halen het koper uit de plaat kraste. De kikker stoorde zich in het geheel niet aan de aanwezigheid van Quint. Quint keek naar het kruis op de koperen plaat en zag dat de kikker allemaal kleine blaadjes om het kruis had gegraveerd. De afbeelding was duidelijk met veel vakmanschap gegraveerd. Nogsteeds had de kikker geen notie genomen van Quint, die het geheel dan ook maar liet voor wat het was. Hij draaide zich om en liep terug naar het pad dat het park in tweeën deelde. Juist toen hij over het pad verder wou wandelen zag hij een man enkele meters voor hem op het pad staan. De man had op twee kleine ogen na geen gezicht. Quint, die het gezicht van zijn aanrander nooit gezien had, wist ogenblikkelijk dat de man in zijn droom de aanrander was. Moest hij wegrennen? Zij keken enige tijd in elkaars ogen en Quint moest opeens lachen om de man. Het was maar een klein gedrongen ventje en hij had niet eens een gezicht. Quint moest steeds harder lachen, wat tot gevolg had dat het mannetje het op een lopen zette. Quint wou nog iets onaardigs schreeuwen, maar bemerkte dat er geen geluid uit zijn keel kwam. Het park was inmiddels weer geheel verlaten, voorzover Quint dit kon overzien. Hij liep een paar stappen over het grindpad toen zijn blik plotsklaps werd gevangen een ballon. De ballon daalde langzaam neer boven het grasveld. Zou dit de weerballon zijn, waar hij zijn hele jeugd op had gewacht? De ballon was groot en wit, maar er stond tot Quint’s teleurstelling geen enkele tekst op. Onder de ballon hing een kleine sonde aan een stalen kabel. Quint’s hart bonkte van opwinding en hij wou zo snel als zijn voeten hem konden dragen naar de ballon rennen. Wat hem er van weerhield op de ballon af te rennen was het feit dat het ding ongeveer een meter boven de grond stil was blijven hangen. De sonde, waar het Quint in eerste instantie om te doen was geweest, was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een rieten mand. Het grote witte gevaarte, waar de mand aan hing, leek hoe langer hoe minder op een ballon. Quint bleef stokstijf staan. Waar de weerballon eerst had gehangen was nu een cocon van licht zichtbaar. In de mand zat Imogeen, gehuld in een halfdoorschijnend nachtgewaad. Ze keek naar beneden, haar haren vallend over haar gezicht. Langzaam draaide de mand een hele cirkel om zijn as, waardoor Quint zijn dochter van alle kanten kon bewonderen. Op haar rug was een embleem in het nachtgewaad geborduurd. Behalve een zekere geometrische schoonheid kon er van dit embleem weinig zinnigs gezegd worden. Quint liep voorzichtig naar haar toe, maar bleef op een paar meter afstand staan. De overweldigende hoeveelheid licht verblindde Quint en hij had de grootste moeite om naar zijn dochter te blijven kijken. Wanneer hij zijn ogen tot kleine spleetjes samenkneep, kon hij haar echter goed zien. Ze keek hem aan en er verscheen een glimlach op haar gezicht. Dit was de glimlach, die hij zo goed kende en die hij in die paar dagen zonder haar zo vreselijk had gemist. Quint zakte door zijn knieën en riep haar naam.
"Het geeft niet", antwoordde Imogeen, "Ik weet dat je graag naar me keek. Huil maar niet, pap, kijk maar. Je hoeft je nergens voor te schamen."
Quint schoof op zijn knieën naar haar toe en bewonderde zijn dochter. Hij zag hoe haar borsten door het nachtgewaad heen zichtbaar waren en hoe mooi ze waren geworden. Ook zag hij haar slanke benen, die ze onder zich had gevouwen. Imogeen keek haar vader glimlachend aan. Haar lach betoverde Quint en hij wou een hand uitsteken om haar te strelen. De cocon van licht bleek echter ondoordringbaar te zijn.
"Nee vader", zei Imogeen, "Zo eenvoudig gaat dat niet. Ik ben niet meer zoals je mij hebt gekend."
Verslagen en diep teleurgesteld trok Quint zijn hand terug.
"Maar waar ben je dan? Ik mis je zo!"
"Ik heb geen pijn gehad, pap. Echt, heus, het is in orde met me..."
Quint zag dat het licht aan begon te zwellen. Hij moest zijn ogen met zijn handen bedekken om niet te worden verblind. Dit was onzin, dacht hij. Als hij op zijn allerhardst op de cocon zou slaan, zou hij hem misschien kunnen breken en zou Imogeen weer bij hem zijn. Hij wou haar zo graag in zijn armen nemen en naar huis dragen. Zijn kleine meid, hij kon gewoonweg niet verder leven zonder haar. Hij keek tussen zijn vingers door en bemerkte tot zijn niet geringe verbazing dat het om hem heen nacht was geworden. De cocon van licht schitterde in de duisternis, en Imogeen zag er zo mooi en statig uit, dat Quint de tranen over zijn wangen voelde rollen. Nogmaals riep hij haar naam in de hoop dat zij uit de mand zou stappen en hij haar in zijn armen kon nemen. Imogeen keek in de verte, ernstig, en wees naar de sterrenhemel. Quint voelde zijn adem stokken van verdriet. Ze was zo onbereikbaar en hij kon niets eens zien waar ze eigenlijk naar wees. Hij wou haar mee naar huis nemen, samen koken, onzinnige dingen doen, het deed er niet toe. Als het maar met haar was. En ergens begreep hij dat dat alles nooit meer mogelijk zou zijn. Ze hadden het ondanks alles eigenlijk zo leuk samen gehad, maar hij was het zich nooit als zodanig bewust geweest. Snel draaide hij zijn hoofd weer naar Imogeen, alsof hij bang was haar nooit meer te kunnen zien. Imogeen zat echter niet meer in de mand. Haar moeder had haar plaats ingenomen.
"Sarah!", riep Quint uit, "wat doe jíj hier?"
Sarah antwoordde niet. Ze legde haar wijsvinger tegen haar mond en keek hem met een glimlach aan. Quint was helemaal vergeten hoe aantrekkelijk Sarah voor hem was geweest.
"Waar is ze? Waar is Imogeen?"
Sarah gaf geen antwoord. Nu pas zag Quint, dat Sarah de ketting droeg, die hij aan haar had gegeven op hun trouwdag. Het was een gouden ketting, met een stenen hanger. De steen was een jade, de Chinese bittersteen, die Sarah tegen ziektes en ongelukken had moeten beschermen. Aan weerszijden van de jade hingen zes kleine maansteentjes, twaalf in totaal, die Sarah vruchtbaar hadden moeten houden. Quint zag in dat alle hype rond edelstenen totale onzin was geweest. Sarah had de ketting gedragen toen zij om het leven was gekomen. De jade had haar niet kunnen beschermen. Het was zoals Imogeen had gezegd:
"Alles gebeurt maar één keer en precies zoals het moest gebeuren."
Niets had dat kunnen veranderen. Niets maar dan ook niets. Sarah en Imogeen waren allebei voor hem verschenen in de cocon van licht. Betekende dit dat Imogeen ook dood was? Hoe kon hij dat zeker weten? Hij wou het aan Sarah vragen, maar de mand was leeg. Het licht doofde en Quint bemerkte dat hij, op een paar lichtzwakke sterren na, helemaal niets meer zag. Overgeleverd aan de schijnbaar oneindig ver weg gelegen sterren verloor Quint zijn oriëntatie-vermogen volledig, zodat hij strompelend en vallend zijn weg uit het park moest banen. Nu en dan struikelde hij over voorwerpen, waarvan de aard hem niet duidelijk was. Hij had de indruk dat kwade wezens hem expres lieten struikelen, hem graag zagen lijden. In paniek begon hij te rennen, maar zijn benen lieten het niet toe. Verslagen keek hij naar boven. Aan de hemel verscheen een zeer heldere ster, die bovendien duidelijk aan helderheid won. De ster werd helderder en helderder, en Quint herinnerde zich wat Imogeen ooit voor de grap had gezegd;
"Als je ooit een ster heel snel helder ziet worden, ren dan voor je leven want dan kan het best eens een meteoriet zijn, die precies jouw kant op komt!"
Hij had toen erg om haar moeten lachen, niet omdat de opmerking zo grappig was, maar vooral omdat het zo’n vreemde opmerking voor een jong meisje was geweest. Nu begon de ster in kwestie echter in omvang toe te nemen, waardoor Quint begreep dat er inderdaad een voorwerp op hem af aan het razen was. Instinctief hield hij een hand voor zijn hoofd, maar het mocht niet baten. In een zee van licht en hitte werd Quint verpletterd door een onbekend voorwerp uit het Heelal. Hij voelde een onbeschrijfelijke pijn, alsof hij tien maal gelijktijdig in zijn kruis getrapt werd. Hij schreeuwde het uit.