"Take your big stick, and your boyfriend, and go find a bus to catch.."
- Jean-Claude Van Damme (Hard Target)
Zoryq en Bogal liepen door een brede winkelstraat, door vele mensen omringd. Voor een dinsdagochtend was het betrekkelijk druk in de stad.
"Ik vind het nogsteeds erg raar", zei Bogal, "zoniet erg raar, dat die gekke Sal ons niet eens één exemplaar heeft meegegeven van dat boekje. Had ’ie dat niet ofzo? Kon dát er nog niet af?"
"Moet je mij niet vragen. Ik denk dat hij zoals altijd alleen maar is afgegaan op een roddel. Heeft niet eens de moeite genomen zelf het boekje te bekijken. Misschien valt het allemaal nog wel mee ook."
"Ja zou je denken? Gemma had het over een ‘unholy book’, en zij is wel wat gewend. Bovendien zou Sal ons nooit samen ingezet hebben als het zomaar om één of ander debiel stuk schrijfkunst ging..."
"Ach hou toch je waffel. Laten we die rot-bibliotheek opzoeken en dat... wat was het? Wezen? Dat wezen van jou in elkaar sleutelen en die rot-boeken opsporen. Overigens stink je uit je bek..."
Bogal maakte een verschrikkelijk vies geluid, waardoor de nietsvermoedende voorbijgangers geschrokken omkeken naar het vreemde duo. Behalve het onmenselijke geluid van Bogal leek er trouwens niet eens zoveel mis te zijn met de twee heren. Zowel Bogal als Zoryq droegen een merkloze spijkerbroek en een sweatshirt. Op Bogal’s sweatshirt stond met schreeuwerige letters ‘LET’S KICK SUM ASS’ en op Zoryq’s shirt stond in kleine beschaafde cursieve letters ‘Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt - een walgelijk rotboek van Julius Thyssen’. Zoryq en Bogal waren op zoek naar de dichtstbijzijnde bibliotheek, maar deze bleek onvindbaar te zijn. Althans, voor niet- stervelingen als Zoryq en Bogal.
"Laten we maar eens iemand om de weg vragen", zei Zoryq.
Onmiddellijk hield Bogal een passerende jongeman aan:
"Hallo, weet u de weg?"
"Pardon? Nee", zei de jongeman en liep door.
Zoryq bleef op zijn plaats staan, handen in de zij, en keek Bogal bestraffend aan.
"De weg", zei hij, "De weg, ja hoor. Laat mij maar even..."
Er passeerden twee meisjes.
"Hallo meisjes", zei Zoryq.
De meisjes begonnen te giechelen en keken elkaar aan.
"Wij zijn op zoek naar de Openbare Bibliotheek", vervolgde Zoryq, "Hebben jullie enig idee waar we die kunnen vinden?"
"Koopt je moeder je kleren soms?", zei één van de meisjes.
Beide meisjes bulderden van het lachen en liepen door, af en toe omkijkend en dan weer lachend. Eén van de meisje stak zelfs haar middelvinger omhoog naar het duo.
"Ik zal míjn interpretatie van dat symbool geven", zei Bogal, "en mijn middelvinger bij haar naar binnensteken. Ze vraagt erom..."
"Neehee Bogal, ze vraagt helemaal nergens om. Zo zijn ze in zo’n stad, dat weet je nu toch wel. En hey, kun je het ze kwalijk nemen? Groeien op in onwetendheid, de vraag vermijdend, door ouders en de samenleving bang gemaakt met gemeenplaatsen als ‘hemel’ en ‘hel’ en dan worden ze nog geacht een beetje normaal door te leven. En alsof het nog niet genoeg is, komt er een leukerd met de naam Thyssen, die keurig uitlegt dat het in zo’n hel nooit zo erg kan zijn. Voor die jonge wezens is goed slecht en slecht dus goed."
"Naar ik heb begrepen is het niet zó’n hit, Zor. Die meisjes van net, die hebben Thyssen z’n boekje misschien helemaal niet gelezen."
"Mensen, beste Bogal, zijn bij voorbaat bang voor de waarheid. Geef ze de hele shit op een presenteerblaadje, deinzen ze nog achteruit. Als Thyssen z’n boekje ècht de waarheid bevat, is het bij voorbaat gedoemd genegeerd te worden door de meute. Zo gaat dat al eeuwen. Van Copernicus moesten ze ook niets weten. De wijze man wordt als dorpsgek afgedankt, en de grootste imbeciel wordt ieders idool. Hell, onze taak wordt er alleen maar eenvoudiger op. En zelfs Sal is kennelijk bang voor de waarheid, anders waren we hier niet."
"Waar is de bibliotheek?"
Bogal hield een klein mannetje met vet achterover gekamd haar aan.
"Hallo, waar is de bibliotheek?", herhaalde hij.
"Hé lamelos, klootzak!", zei het mannetje.
Bogal liet het mannetje niet los en wendde zich tot Zoryq:
"Ik geloof dat die lui hier systematisch gek zijn. Vraag je gewoon wat, kunnen ze niet normaal reageren. Dit is al de derde die we naar de weg vragen en we worden alleen maar uitgescholden!? Ik heb het wel weer gezien. Vriendelijkheid wordt niet gewaardeerd."
Bogal draaide zijn hoofd naar het mannetje en tetterde op zijn hardst:
"Waar is de bibliotheek, dwerg!"
Nu wou het geval, dat ‘op zijn hardst’ in het geval van Bogal een gemiddelde explosie van schaamte zou doen wegkruipen. Het mannetje bedekte geschrokken zijn oren. In de wijde omtrek stonden mensen stil, staakten hun bezigheden en speurden de omgeving af, nieuwsgierig op zoek naar de P.A.-installatie, die deze ongehoorde hoeveelheid lawaai had veroorzaakt. Was dit soms een goedkope reclame-actie van de Openbare Bibliotheek? Was ’t koninginnedag?
"Wil je soms klappen?", vroeg het mannetje op zijn onaardigst, toen hij van de eerste schrik bekomen was.
"Ik wil wel klappen", zei Bogal, "Zor!"
En Zoryq en Bogal begonnen te applaudiseren. Het mannetje had niet het geduld voor zulke lolbroeken. Bovendien moest hij nog iemand in elkaar timmeren, want hij had de indruk dat het geschreeuw hem een permanente gehoorbeschadiging had opgeleverd. Hij stapte op Bogal af en sloeg deze op zijn hardst in de maag.
"Wou je nog meer, leukerd?" zei hij, bulkend van zelfvertrouwen.
Bogal keek lachend naar het mannetje. Het mannetje werd plots verscheurd door twijfel. Hij had op zijn allerhardst geslagen en die gek gaf geen kik!? Moest hij nu nog een keer slaan of wegrennen? Nee, hij was in zijn jeugd steeds weggerend. De andere jongens hadden hem altijd gepest met zijn lengte. Nu zou hij doorvechten. Deze schoft had zijn trommelvliezen beschadigd en zou moeten boeten. De edele delen, natuurlijk! Het mannetje trapte Bogal tussen de benen. Zelfs een meer dan gemiddelde tegenstander zou na een dergelijke actie met ernstig gekneusde zaadleiders naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis zijn afgevoerd. Maar Bogal, die man noch vrouw was, had niet de beschikking over zaadleiders en scheen zich allerminst te bekommeren om de zo brutale poging hem het kindergeluk te ontzeggen.
"Vierendelen of kielhalen", stelde hij het mannetje voor.
Het mannetje besloot er (ondanks de verwachtingsvolle blikken uit de toestromende menigte) vandoor te gaan, maar had niet gerekend op een onregelmatigheid in het plaveisel in de vorm van Zoryq’s voet. Vol afgrijzen keek de menigte vervolgens, hoe Bogal de beide benen van het mannetje omhoog vouwde. Het mannetje dat niet kon bogen op een reputatie als lenige balletdanser, verloor het bewustzijn nog ver voordat zijn benen parallel aan zijn rug lagen. Uit de menigte kwam een zwaar gebouwde jongen tevoorschijn, die, aangemoedigd door vriendin Robin, ‘die lui wel eens mores zou leren’.
"Hé durf je wel tegen iemand die kleiner is? Hè? Wat nou hè? Schoft!", schreeuwde hij moedig, daarbij Bogal enige malen naar achteren duwend.
Bogal groeide een lange scherpe nagel aan zijn wijsvinger en sneed de moedige jongen als een wat groot uitgevallen varken over zijn gehele lengte open. Perplex door de vingervlugheid van Bogal had de jongen niet eens de tijd om zich te beseffen dat de strijd met het leven toch heus niet de moeite waard was. De menigte week uiteen, daarbij minder goed ter been zijnden vertrappend. Er werd gegild en geschreeuwd. Een enkeling was zelfs flauw gevallen.
"Wat heb ik nóu weer misdaan Zor?", vroeg Bogal.
"Niets", zei Zoryq, "Wij vroegen naar de bibliotheek, maar alleen al het woord ‘bibliotheek’ schijnt één of ander defensief mechanisme in werking te stellen bij die aardwormen."
"Ik zou zelfs zo ver willen gaan het een ‘offensief mechanisme’ te noemen."
"Whatever. Laten we maar van uiterlijk veranderen, want we zullen wel snel bezoek krijgen van onze goede kennissen van de wet."
De beide heren verdwenen in een steeg en verlieten deze in de verschijning van twee meisjes op tienerleeftijd.
"Kijk, dít zijn nou mooie borsten", zei Bogal, trots op zijn kundige aardse design. De onwaarschijnlijk lange arm van het toeval wou, dat dé Julius Thyssen op dat moment beide ‘meisjes’ passeerde en Bogal’s opmerking bevestigend toeknikte. Zoryq en Bogal hadden niet door dat het hier ging om de schrijver van het bewuste boek en liepen langzaam door. Van tijd tot tijd moesten zij wijken voor langsrennende ambtenaren van de wet of andere paniekerige lui.
"Er is kennelijk verderop iets gebeurd", zei Bogal lachend.
"Eén voordeel", zei Zoryq, "Meisjes zijn kleine onschuldige wezens. De eerste de beste zal ons vertellen waar de bibliotheek is."
Om deze bewering aan de praktijk te toetsen stapten de beide ‘meisjes’ een snoepjeszaak binnen. De verkoopster achter de toonbank keek de meisjes vriendelijk aan.
"Hallo", zei ze, "Hebben jullie het bordje niet gelezen? In de schoolpauzes niet meer dan twee scholieren tegelijk in de winkel. Dus dat geldt ook voor jullie. Sorry."
"Wel alle", zei Zoryq, "Wij zijn helemaal geen scholieren."
"Goed, wat zijn jullie dan wel?", probeerde de verkoopster geduldig.
"Wij zijn op zoek naar de bibliotheek. Waar, waar, waar is die tent gevestigd?"
"Ja, die ken ik", zei de verkoopster, "Allemaal afleidingstrucs. De zaak uit, jullie ook."
Met dat ‘jullie’ doelde de verkoopster op twee andere meisjes, die op dat moment bezig waren hun zakken vol te stoppen met snoepgoed. De twee meisjes in kwestie verlieten de zaak, allang blij dat ze voor de zoveelste keer niet betrapt waren. Zoryq en Bogal bleven echter op hun plek staan.
"Waar is de bibliotheek?", zei Bogal.
De verkoopster pakte de telefoon op en zei op overdreven toon:
"Kijk, ik bel de po-li-tie."
"Mevrouw", zei Zoryq met een niet geringe neerslachtigheid in zijn stem, "Tegen de tijd dat die lui hier zijn, zijn wij uiteraard alweer vertrokken. Wij geven u nu de simpele en weinig aan de fantasie overlatende keuze: óf u vertelt ons waar de bibliotheek is, óf wij veranderen deze tent in één grote plak caramel. We laten het helemaal aan u over. Het is zo simpel."
Ergens kreeg de verkoopster het beangstigende vermoeden dat het hier inderdaad niet om gemiddelde jattende schoolmeisjes ging. Helaas geen gehoor gevend aan haar gezonde verstand, brulde ze echter:
"Me zaak uit! Nu!"
Zoryq en Bogal verlieten inderdaad de zaak, maar niet voordat zij de complete inventaris hadden omgesmolten tot een bijzonder troebele variant op het caramel-concept. Wat de politie niet veel later aantrof, riep allerlei associaties op met een in barnsteen opgesloten insect.
"Ik geef het op", zei Bogal, "Volgens mij is er helemaal geen bibliotheek, maar is ’t een schuilnaam voor iets heel erg onduidelijks. Misschien zijn we wel niet goed ingelicht en is het een inbreuk op de goede zeden om naar de bibliotheek te vragen."
"Onzin", was Zoryq’s conclusie.
"Wat is een bibliotheek eigenlijk, Zor?"
"Een eh... Ja, dat weet ik niet. Daar kun je boeken bekijken ofzo"
Op dat moment passeerden Zoryq en Bogal een boekenzaak. Zij keken elkaar een moment aan en lazen elkaars gedachten.
"Goedendag", zei de verkoper. Het was een man van tegen de vijftig en kalend. Hij stond bij zijn collega’s bekend als ‘De Nette’, vanzelfsprekend vanwege zijn afkeer voor scheefliggende boeken, stofpluisjes en wat dies meer zij.
"Kan ik de dames ergens mee van dienst zijn?"
"Wij zoeken een boek", zei Zoryq.
"Dan bent u aan het juiste adres", antwoordde ‘De Nette’ overmoedig.
"Fijn dat u zo zeker van uw zaak bent", zei Zoryq, "‘Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt’ graag..."
‘De Nette’ tikte met zijn gouden vulpen tegen zijn nagels in afwachting van wat ging komen. Plotseling herinnerde hij zich de vreemde boektitel, die zich tot zijn onmiddellijke schaamte niet in zijn collectie bevond. Een week of zes geleden was er een jongeman van een kleine onafhankelijke uitgever langsgeweest, doosje onder de arm, die het boek in kwestie in consignatie had aangeboden. Hij had het boek geweigerd, omdat het... omdat het...
"Heeft u het boek of heeft u het niet?", vroeg Zoryq.
"Nee mevrouw, wij zijn een nette boekenzaak en het boek in kwestie past nu eenmaal niet in onze collectie."
"Waarom niet? Het is toch een boek?"
"Mevrouw, als u al jaren in het vak zit zoals ik, dan krijgt u een neus voor bestsellers. Het boek dat u zoekt behoort beslist niet tot die categorie."
"Aha", zei Zoryq, "Wanneer behoort een boek in uw bescheiden opinie dan tot de categorie ‘best-sellers’?"
"Dan... dan praten we toch over tienduizend exemplaren landelijk, zoiets."
"Doet u mij dan maar tienduizend exemplaren van ‘Wacht Maar Tot Mijn Boek Uitkomt’", zei Zoryq, "Landelijk is ook goed."
"Willen de dames verder nog iets? Een tijdschrift over paarden of iets dergelijks?", vroeg ‘De Nette’, die het gebeuren niet meer serieus nam.
"Nou meneer, misschien kunt u ons dan eerst uitleggen hoe volgens u een nieuw boek van een jonge schrijver ooit een bestseller kan worden als u bij voorbaat nooit schrijvers wilt ‘ontdekken’ omdat u al jaren in het vak zit en niet in bent voor iets ècht anders of nieuws?"
"Eh, wat u impliceert eh.. ik ben eh, eh..", hij was zo geschrokken van het hoge niveau van de hoogblonde jongedame tegenover hem, dat hij niet wist hoe te reageren. Blondjes waren in zijn optiek niet zo slim.
"Bogal, het schijnt zo te zijn dat niemand ons serieus neemt. Ik begin er behoorlijk de pee over in te krijgen."
"Platbranden?", vroeg Bogal behulpzaam.
"Weet u misschien waar wij de openbare bibliotheek kunnen vinden?" was Zoryq’s wat minder drastische benadering van het probleem.
‘De Nette’ was dan wel niet de meest behulpzame boekverkoper die de planeet rijk was, maar de meisjes de weg wijzen kon er nog wel van af. Bovendien was hij bijzonder onder de indruk van de borsten van Bogal. Hij had altijd een zwak gehad voor jongere meisjes. Tot hun verbazing vertelde de verkoper zonder omwegen hoe Zoryq en Bogal het snelst bij de bibliotheek zouden komen.
"Wel heb ik ooit!", zei Bogal toen zij ervan overtuigd waren dat de bibliotheek op loopafstand verwijderd was, "Dat ú nou juist de man moet zijn die ons de weg wijst naar de bibliotheek. U verdient een standbeeld, mijn waarde."
"Verandert hij nou ooit weer in een mens?", vroeg Zoryq aan Bogal bij het verlaten van de boekenzaak.
"Als duizend-en-één mensen hun openlijke afschuw over het standbeeld hebben uitgesproken, zal hij bij de eerste nieuwe maan veranderen in de man die hij was."
De uiterst verbaasde staf van de boekenzaak plaatste het standbeeld nog diezelfde dag in de kelder. Alhoewel iedereen ‘De Nette’ een afschuwelijke man had gevonden en een zo mogelijke nog grotere walging voelde bij het aanschouwen van zijn merkwaardige standbeeld, kon de gehele staf tevens de zelfbeheersing opbrengen hier geen uitspraken over te doen.
De bibliotheek was een groot gebouw met verschillende etages, dat op een weinig strategisch punt in de stad was gesitueerd. Bogal en Zoryq hadden zich voor de gelegenheid veranderd in twee jonge heren. Je zou zelfs geneigd zijn de term ‘studenten’ erbij te halen. Zowel Zoryq als Bogal droegen een kleine bril met ronde glazen, een college-trui en kalfslederen schoenen. Met deze ‘look’ zouden ze, althans volgens Zoryq, onzichtbaar blijven in de massa. Inderdaad keek niemand op toen zij de bibliotheek binnenslenterden. In de bibliotheek heerste de voor dergelijke instanties gebruikelijke stilte, waardoor Bogal op fluistertoon tegen Zoryq zei:
"Hé Zor... daarginds staat een informatiesysteem ongebruikt te wezen. Ik durf te wedden dat we daarmee het boekje van Thyssen kunnen localiseren."
"Een goed plan Bogal. Ik heb geen idee waar we naar moeten zoeken in dit gebouw. Sal had het over een oneerlijk rot-boek, maar ik heb zo stellig het idee dat dat hier geen gebruikelijke categorie is..."
Het informatiesysteem was een klein traag netwerkstation, dat zijn gegevens byte voor byte uit een pot stroop scheen op te moeten halen. Nadat Bogal de toets met een ‘1’ had ingedrukt voor het ‘Zoeken naar een boek op titel’ gebeurde er niets. Bogal, die eerder met computers had gewerkt (en volgens de legende de heer Von Neumann had geïnspireerd), zocht naar een bevestigingstoets.
"Tsss, hoe vind je dat Zor? Overal op aarde is het Enter, maar hier moeten we steeds op Send drukken, pff!" mopperde Bogal vanachter de zoek-terminal.
Bogal had het boek ontdekt, ingedeeld onder nummer 868.7
"Kijk Zor, wat een onzin, hebben ze het onder ‘bloemlezingen en gedichten’ ingedeeld, moeten we daarvoor al dat gehannes doorstaan? Is dat waar ’t Sal nou om gaat, een dichtbundel? Dat kan ik ook wel, en niemand stuurt allerlei lui op mijn dak om míj de mond te snoeren."
Zoryq, die een onvoorstelbaar geringe interesse voor poëzie kon opbrengen en wist wat er zo ongeveer ging komen, keek tijdelijk een andere kant uit toen Bogal zijn nieuwste wangedrocht voordroeg:
"Een meisje in een tennis-rok
Had Bogal nooit ontmoet
Hun eerste date een grote gok
Maar wie had ooit vermoed
Dat Bogal bleek een knappe vent
Romantisch slim en zacht
Ja nu zij Bogal kust en kent
Een einde aan haar jacht"
"Domme rijmelarij", zei Zoryq, zichzelf direct hatend voor het feit dat hij Bogal’s versje überhaupt een reactie gunde. Zo zou hij hem nog eeuwenlang lastig vallen met stomme versjes over gatenplanten, meisjes in tennisrokjes en andere onuitstaanbare ellende. Bogal had zijn aandacht inmiddels weer gericht op de terminal of wat daar voor doorging.
"Wat betekent ALLE EXEMPLAREN UITGELEEND ? Lenen ze die dingen hier aan mensen uit ofzo?" Zoryq begon rood aan te lopen.
"Ja, krijg nou wat Zor, dat betekent dat al die mensen het kunnen lezen, zo niet al gelezen hèbben! Of anders zijn er wel van die krenterige lui die boeken in z’n geheel door zo’n copiëerapparaat jassen. Volgens mij heeft Sal ons weer iets onzinnigs eeh ik bedoel eeh.. hè?"
"KUT, Bogal, kut! Dit is hartstikke KUT! Ik moet wèl zien wat er in dat boek staat Bogal, ik wil het ZIEN!!! We moeten opschieten!" Het volume in Zoryq’s stem werd steeds groter.
"Hoe verzinnen die lui zoiets hè, zo hoef je toch nooit meer een boek te kopen, als je ’t altijd kunt lezen in zo’n bibliotheek???" Ze liepen naar een balie. Achter de balie zat een vrouw gebogen over een cryptogram. Zoryq griste een bestelformulier uit een bakje en begon het driftig in te vullen. Van het boek wist hij nu, behalve titel en auteur, ook eindelijk dat het ging om de categorie ‘bloemlezingen en gedichten’, alhoewel hij geen flauw idee had wat er met die termen bedoeld werd. Ergens had Zoryq zelfs het idee dat hun hele missie belachelijk werd gemaakt door het doel van hun inspanningen onder ‘bloemlezingen en gedichten’ in te delen. Sal had het gehad over ‘schokkende verhandelingen, die het einde van het menselijk ras propageren’ en ‘een onsmakelijk verhaal dat de spot drijft met de goede zeden en vragen stelt die nu eenmaal niet gesteld dienen te worden’. Deze bewoordingen waren voor Zoryq moeilijk te rijmen met de categorie ‘bloemlezingen en gedichten’. Mensen waren kennelijk niet helemaal lekker. De dingen in ieder geval maar niet bij de naam noemen, dat scheen mode te zijn... al een paar duizend jaar. Als Thyssen dan de dingen wèl bij hun naam noemde, dan vond Zoryq hem al een stuk sympathieker dan de meute. Deze flits van zelf-inzicht deed Zoryq een moment in de verte staren, onzeker over het doel van hun missie. Want behalve het vernietigen van alle exemplaren van het boek van Thyssen, had Sal hem tevens op het hart gedrukt de schrijver om zeep te helpen. "De lolbroek zou op het idee kunnen komen nóg een boek te schrijven, maar dan misschien erger". Nooit had Zoryq wroeging gehad over het voortijdig beëindigen van levens. Maar nu werd hij geconfronteerd met iemand, die niets meer en niets minder deed dan de waarheid zeggen. Zoryq kreeg sterk de indruk dat Sal zich er maar weer vanaf maakte door zijn onderdanen de smetten in het systeem uit te laten roeien. Het management deugde gewoonweg voor geen meter. Misschien juist omdat Zoryq nog geen woord uit het ‘Wacht Maar’-boek had gelezen, was hij langzaamaan nieuwsgierig geworden. Nog geen dag geleden wou hij het boekje alleen maar vinden om de vernietiging ervan in gang te kunnen zetten. Maar nu leek alles opeens anders, vandaag was een dag van inkeer. Goed, ze zouden doorgaan met hun missie. Maar zoals ze al meer dan eens hadden geconstateerd was het werkelijk een onmogelijke opgave. Zelfs als Bogal één of andere magische snuffelhond zou kunnen creëren, dan nog waren ze waarschijnlijk maanden bezig om alle sporen van het boek uit te wissen. En zou Sal controleren of ze hun taak naar behoren hadden volbracht? Nee natuurlijk niet. Dat deed Sal nooit. Zoryq kreeg er hoe langer hoe meer zin in om de hele missie te her-formuleren. Het boek was gelezen, het zaad was gelegd. Als ze nu alle sporen zouden vernietigen, zouden ze binnen een jaar weer een volgend geschrift moeten komen ophalen. De zaak was veel complexer dan Sal, Bogal en hij bij aanvang hadden gedacht. Zoryq overdacht de verschillende mogelijkheden. Ze konden het oorspronkelijke plan trouw blijven, maar dat zou slechts een schijn-oplossing opleveren. Sal zou daar ongetwijfeld genoegen mee nemen, maar Zoryq zou voor het eerst in zijn leven een opdracht onbevredigend afsluiten. Niet alleen in de zekerheid dat de waarheid waar Sal zo bang voor was vanzelf zijn kop weer op zou steken, maar ook met het besef dat hij tegen zijn zin een mens om zeep had geholpen. Dan was er nog de rationele oplossing: De kaarten op tafel leggen, Sal uitleggen dat een enkelvoudige boek-vernietiging niet de juiste benadering van het probleem was. Maar Sal was een eigenwijze persoonlijkheid, die het van minderen niet pikte wanneer zij de juistheid van zijn besluiten betwijfelden. Discussiëren met Sal was net zoiets als het omhoog proberen te zwemmen in een waterval; Je werd er doodmoe van, kreeg allerlei troep in je gezicht gegooid en schoot er geen meter mee op. Ja, en dan was er nog een derde mogelijkheid: deserteren. Maar Sal was hun meerdere, en zelfs Bogal met zijn soms bijzondere gewiekste magische toepassingen zou als een mier onder de schoen van Sal vertrapt worden. Het vrat aan Zoryq. Onzekerheden van deze omvang had hij al eeuwenlang niet meer meegemaakt. Een exemplaar van het boek inkijken kon in ieder geval geen kwaad. Daarna kon hij alsnog besluiten welke koers er gevaren diende te worden. Zoryq legde de pen terug op de plaats, waar hij deze gevonden had en bewoog zich richting de bibliothekaresse. Bogal was druk doende zich te bemoeien met het cryptogram:
"Veertien verticaal: dat gewas doorkruist zijn plannen is dwarsboom. Dee wee aa er es bee..."
"Mag ik alsjeblieft zèlf dit cryptogram oplossen?", was het antwoord van de bibliothekaresse. Ze zei er niet bij dat ze al een halve dag had gespendeerd aan het desbetreffende cryptogram en totaal was vastgelopen, tot razernij geïrriteerd door dat verwenste ‘dat gewas doorkruist zijn plannen’.
"Hey", zei Bogal, "Ik wou u alleen maar helpen om zonder kleerscheuren door de cryptogrammen-hel te komen. Als u dan zo van raadsels oplossen houdt, wat dacht u dan van deze: Een man koopt op zaterdagochtend twee goudvissen. Eén van de goudvissen blijkt echter een piranha te zijn, maar dat weet die man natuurlijk niet. Op maandagochtend gooit dezelfde man drie guppies in zijn aquarium. Wat vindt deze man op..."
Zoryq duwde Bogal ruw uit de weg en schoof de bibliothekaresse, die net geboeid raakte door Bogal’s raadseltje, het bestelformulier onder de neus.
"Hallo! Ja? Wij willen graag onmiddellijk dit boek bestellen mevrouw, okay,
meteen?!"
"Goed, mag ik dan even uw lidmaatschapskaart?" zei ze met de plichtmatige routine
die van een bibliothekaresse verwacht mag worden.
"Lidmaatschapskaart? Lidmaatschapskaart?"
"Ja inderdaad, uw lidmaatschapskaart. Zonder lidmaatschapskaart geen bestelling."
"Wat? Okay, dan word ik bij deze lid. Zeg maar hoeveel u van mij krijgt..."
"Ja u hoeft niet zo opgewonden te doen, jongeheer. Natuurlijk kunt u lid worden van de bibliotheek. Heeft u een dubbele legitimatie bij zich? Paspoort, rijbewijs en..."
"Laat maar", zei Zoryq, "Bogal, we gaan. Dubbele legitimatie, alle exemplaren uitgeleend, bloemlezingen... ik word echt niet goed. Als je me niet tegenhoudt ben ik in staat deze hele planeet op te heffen. Zijn we van al het gedonder af. Shit."
Naast de bibliotheek troffen Zoryq en Bogal een kleine boekenzaak aan, waar de verkoper onder gunstiger omstandigheden door zijn collega’s zonder twijfel de slome gedoopt zou worden. Het geval wou echter dat de slome de zaak in zijn eentje moest runnen en dan ook niet de beschikking had over collega’s. Zoryq en Bogal hoefden niet eens te vragen naar het boek van Thyssen; Op de toonbank lag reeds een kleine stapel.
"God ja", zei de slome, "Da’s een heel leuk werkje. Heb ik met veel plezier gelezen."
Zoryq en Bogal kochten twee exemplaren van het boek en liepen volstrekt sprakeloos terug naar de drukke winkelstraat. Het gemak waarmee ze uiteindelijk niet één maar zelfs twee boeken in hun bezit hadden gekregen was volstrekt niet te rijmen met de onwaarschijnlijk moeizame zoektocht van die dag. Zoryq zag aan Bogal dat hij met de gang van zaken geen genoegen nam. Hij was voor zijn doen ongebruikelijk stil en volgzaam. Na een moeizame strijd tegen monsters en rovers moest de prinses nu eenmaal niet met een taxi naast de held stoppen met "de voordeur van het kasteel, waarin ik gevangen werd gehouden, bleek open te staan". Bogal zou dit vermoedelijk binnen afzienbare tijd ergens op af moeten reageren. Na een paar eeuwen kende je je collega wel een beetje.
In een café-restaurant dronken Zoryq en Bogal een cappucino-décaf en bladerden zij in het boekje van Thyssen.
"Kun je hier wat mee?", vroeg Zoryq.
"Ik weet het niet, Zor. Ik ben nog maar op bladzijde tien en ik heb al minstens zeven-en-dertig elementen nodig om het levende evenbeeld van dit boek te verwezenlijken."
"Fijn Bogal, en wat betekent dat voor ons?"
"Nou ja, als we alles willen opsporen wat met dit boek te maken heeft, alle copieën, alle mensen die het gelezen hebben, jeweetwel, dan moeten we alle onderdelen van dit boekje in één wezen uitdrukking geven. Zoals het zich laat aanzien draait het hier om een paar honderd zo niet een paar duizend elementen. Ik weet niet, heb nog nooit een wezen gemaakt, zó complex, zó veelzijdig. Misschien is het helemaal niet levensvatbaar, stort het terug op zichzelf of iets dergelijks."
"Is dat weer zo’n feedbacktheorie van Gemma of zo? Kom, gaan we het proberen of niet?"
"Ik ga eerst naar de plee"
Toen Zoryq zich besefte dat Bogal helemaal niet naar het toilet hoefde te gaan, was hij al uit het zicht verdwenen. Er verscheen een glimlach op het gezicht van Zoryq. Hij wist dat Bogal teveel geïrriteerd was door het gebeuren. Het deed er ook niet toe. Hij, Zoryq, zou in het café-restaurant op hem blijven wachten. Kon ’ie mooi in het boek lezen. Als vandaag al iets had opgeleverd, dan was het in ieder geval dat de onzekerheid over de bron van hun missie was weggenomen. Zoryq zag nu zwart-op-wit waar het Sal om te doen was geweest. Het was onvermijdelijk dat de mens op een bepaald moment in zijn evolutie wakker zou worden. Lastig gevallen door teveel onzekerheden zou uiteindelijk één mens als eerste opstaan en er niet tevreden mee zijn, geen genoegen nemen met de stand van zaken. Het moment was daar, en het was gedaan met de rust van Sal, die het hele gedoe rond de planeet aarde vanaf het begin nauwelijks serieus had genomen. Het was allemaal erg doorzichtig. Nu dacht die simpele Sal het probleem zomaar even uit de weg te kunnen laten ruimen door twee onderdanen! Wat een gebrek aan inzicht!
Bogal was inderdaad niet naar het toilet gegaan maar had daarentegen het café-restaurant verlaten, omdat hij had gemerkt dat winkels in deze straat ’s avonds open waren. Hij besloot zijn kijk op de aardse kleding wat te updaten. Hij liep de ene na de andere textielhandel in. Het viel hem op dat de muziek overal te hard stond en dat de bedienden te opdringerig waren. De boel liep uit de hand toen Bogal een nogal flitsende glitterachtige shop aandeed. Hij ergerde zich blauw aan een joch met een staartje dat onmiddellijk op hem afliep. Hij was koud binnen of het joch zei:
"Kan ik u helpen meneer?"
God wat hebben die lui toch? dacht Bogal. Alsof kleding echt zóveel gespreksstof oplevert of inlichting behoeft! En mochten mensen niet eerst relaxed de prijzen vergelijken met andere winkels? Die stomme winkeliers die zich maar de arrogantie denken te kunnen aanmeten dat zij toch echt ‘de allerhoogste kwaliteit nieuwe mode’ verkopen! Bogal liep rood aan van irritatie. Hij schoot daarom uit zijn hand een scherpe schijf die het ‘staartje’ onthoofde. De blonde vrouwelijke collega van het ‘staartje’ stopte een hand in haar mond en gilde het uit. Vol afgrijzen keken de klanten naar Bogal, die grinnikend het hoofd van het ‘staartje’ oppakte.
"Hij moest nodig naar de kapper!", schreeuwde Bogal.
Een klant, die juist een broek aan het passen was in een pashokje dook weg en begon een gebed:
"Heilige Maria, moeder van Christus..."
Bogal scheurde het gordijntje weg en keek naar het inelkaar gedoken hoopje mens.
"Zo zien jullie mensen er wel op je slechtst uit, als jullie bidden om gespaard te blijven. Een heel leven maar wat aankloten en als het er op aan komt hulp uit een hemel verwachten. Een misverstand dat bij deze uit de weg zal worden geruimd. Voor één individu althans."
Toen Bogal even later weer op straat stond, hoorde hij een stem boven zich galmen:
"Blijf staan. Probeer niet te ontsnappen... u bent omsingeld"
De stem kwam uit een Apache-helicopter, die stationair boven Bogal zweefde. Om hem heen verschenen allerlei lieden in uniform. De voorvallen in de winkelstraat hadden Hoofdofficier Grillée er met grote tegenzin toe gebracht de hulp van een speciale militaire task-force in te roepen. Grillée had zich altijd nogal beschaamd gevoeld in de aanwezigheid van Apaches, omdat zijn functie dan steeds zo onduidelijk werd. Hij kon net zo goed naar huis gaan, voor hem was de lol er af met die krengen. Er waren nauwelijks mensen meer bij nodig. Die ‘verrekte schaduw-choppers’, zoals Meaude Grillée ze noemde, gaven hem het gevoel overbodig te zijn en waren er de oorzaak van dat hij ‘hem’ voor zijn vrouw te vaak niet meer overeind kon krijgen.
Bogal zag hoe de straat met hulp van de Apaches ontruimd werd. Vriendelijk doch dringend werden de toestromende burgers verzocht op te rotten. Inmiddels stonden er zo’n veertig militairen om hem heen, de meesten in het bezit van obscure moderne wapens.
"Waar is de ander, klootzak!", brulde wat de woordvoerder leek te zijn.
"Hoe... hoe bedoelt u?", stamelde Bogal.
"Okay, pak ‘m maar in. We vinden die andere vanzelf."
Bogal werd aan handen en voeten geboeid. Apache-helicopters daalden neer in de straat. Hoofdofficier Grillée kwam in zijn donkerblauwe winterjas aanlopen. Hij stak een sigaret op en zei tegen Bogal:
"Zo zo vriend. We zitten al dagen achter jullie aan. Wat is dit allemaal voor gedoe? Onschuldige mensen de dood in jagen alsof het niks is. En je loopt tóch op een keer tegen de lamp."
"Het grappige geval wil...", begon Bogal. Het werd heel erg stil. Grillée stond geheel perplex, omdat een man, die aan handen en voeten geboeid was en een levenslange gevangenisstraf niet zou kunnen ontlopen, zijn zin begon met ‘het grappige geval wil’. De militairen van de speciale task-force dachten op dat moment ongeveer hetzelfde. Nog nooit in hun carrière had een gevangene op zó’n nonchalante toon gesproken. Verbaasde blikken werden uitgewisseld, maar Bogal sprak verder:
"Het grappige geval wil, dat een paar stukken metaal mij absoluut niet in mijn bewegingsvrijheid hinderen. Kijk maar."
En Bogal stapte zó eenvoudig uit zijn boeien, dat menig goochelaar het bijltje erbij neer zou gooien. Glimlachend stond Bogal naast de boeien, die vrolijk op de grond kletterden. Twee van de militairen richtten hun wapens geschokt rommelig op Bogal. Gedurende enige seconden werd er niet gesproken. Bogal verbrak als eerste de stilte:
"Roken schaadt de gezondheid, ook als je Grillée heet."
Hoofdofficier Grillée vond het lang geen pretje wanneer een verdachte zijn naam al wist. Wat wist deze verdachte nog meer?
"Dat je dochter naar het lyceum gaat en in klas 3d zit", zei Bogal.
Een nachtmerrie ontvouwde zich voor de ogen van Grillée. Hoe kon deze verdachte weten waar zijn dochter naar school ging? Was dit allemaal een actie tegen hem persoonlijk? Om een einde te maken aan de onzekerheid schreeuwde de van zijn stuk gebrachte hoofdoffcier:
"Achteruit iedereen. Als hij één stap zet: schieten! Maar niet eerder. Hé, klojo! Geef je over! Je bent omsingeld..."
Iedereen, die zich op dat moment rond Bogal ophield, was op de hoogte van de mysterieuze aard van de moorden. Er was melding gemaakt van ‘monsterlijke serie-moordenaars, die in staat zijn van vorm te veranderen’. Haha, hadden de meesten gedacht, dat soort dingen zie je alleen maar in films. Toen Bogal dan ook daadwerkelijk van vorm begon te veranderen, vielen monden open van verbazing. Geen van de aanwezigen kwam ertoe een kogel af te vuren. Normaliter zou Bogal in nog geen seconde van de ene vorm overgaan in de andere. Maar om de spanning hoog te houden veranderde hij nu over een periode van tientallen seconden in een klein zwevend gedrocht. Het gedrocht leek (zo zouden enkele van de elkaar tegensprekende verklaringen later ‘bevestigen’) nog het meest op een groot uitgevallen kikker zonder poten, die zich om één of andere reden niet door de zwaartekracht liet hinderen. Omdat het monster niet over vleugels beschikte, was het voor iedereen een volslagen raadsel hoe het beest zich in de lucht hield.
"Vuur!", schreeuwde Grillée.
Toen het oorverdovende geknal eindelijk voorbij was en iedereen zocht naar de restanten van de ‘vliegende kikker zonder poten, en trouwens ook zonder vleugels’, moest toegegeven worden dat de verdachte ontkomen was. Niemand schonk enige aandacht aan de spierwitte duif, die bij wijze van cliché met een groen takje in zijn snavel langs kwam vliegen. Het was Zoryq, die begrepen had dat de pret erop zat voor vandaag. Ergens in de troposfeer kwam Zoryq zijn collega tegen, die nogsteeds het meeste leek op een kikker, maar dan zonder poten. Zoryq spuugde het groene twijgje uit en ging naast Bogal vliegen.
"Heb je het nu een beetje uit je systeem?"
"Zor, nog zo’n dag en ik sta niet voor mijzelf in!"
"Dat deed je vandaag ook niet. En als ik er eens over na denk, heb je nog nooit voor jezelf ingestaan."
"Ik zit nog het meeste in over Sal. Die verwacht resultaten en zal mijn... onze, nou ja, vooral mijn acties niet door de vingers kunnen zien als wij niet snel terugkomen met de mededeling dat ’t allemaal in kannen en kruiken is."
"Ik heb er over nagedacht."
"Hé, waar zijn de boeken? Ik dacht dat jij die zou bewaren en je bent duidelijk te klein om ze ergens onder je veren te hebben verstopt. Dus...?"
"Dus niks. De boeken waren sowieso een eigen leven aan het leiden, dus ik dacht: what the heck, gevleugelde woorden hebben recht op een eerlijke luchtdoop."
Bogal zag tot zijn grote vreugde dat er twee blauwe boekjes zwijgzaam achter hun aan fladderden. De gelamineerde kaften weerkaatsten het zonlicht schitterend, waarbij de feestvreugde nog werd verhoogd door het feit dat beide boeken precies ‘in de pas’ met elkaar vlogen. Het was beslist jammer dat niemand het vliegende viertal zag.
"Wat gaan we doen?", vroeg Bogal.
"We gaan ophouden met deze onzin, Bogal. Als we hier met z’n allen nou nog een uurtje of twee rondvliegen en dan weer teruggaan naar de stad, is het grootste tumult voorbij. Jij kunt ondertussen nadenken over de elementen die we op moeten sporen. Gaan we nog even boodschappen doen. Met een beetje geluk kunnen we deze hele verdomde business morgen afronden. Ik reken op je."